Koopkrachtpraatjes

Dagelijks lekken berichten uit de Haagse zeef over pogingen van het kabinet om onze koopkracht in 2006 op peil te houden. Naar verluidt gaat de premie voor de Werkloosheidswet komend jaar iets omlaag en betalen we een fractie minder belasting, doordat sommige kortingen op de aanslag wat omhooggaan. Door dit gefrutsel met belasting- en premietarieven kleuren de gebruikelijke koopkrachtplaatjes minder rood of zelfs lichtgroen. Woordvoerders namens de regeringspartijen zullen dit wapenfeit de komende weken breed uitmeten. De oppositie zal aandringen op extra maatregelen, waardoor nog iets verbetert achter de komma van de koopkrachtberekeningen.

Mensen, houd toch op! Die plaatjes zeggen namelijk bitter weinig over de inhoud van de portemonnee in 2006. Om te beginnen gelden ze uitsluitend voor werknemers en uitkeringsontvangers. Bovendien tonen ze slechts het geïsoleerde effect van een combinatie van overheidsmaatregelen, zoals – per 1 januari aanstaande – een bescheiden verhoging van de sociale uitkeringen en de aanpassing van de belastingtarieven.

De grootste inkomensveranderingen waarmee de 7,5 miljoen Nederlandse huishoudens volgend jaar te maken hebben zijn het gevolg van gebeurtenissen waarop het overheidsbeleid überhaupt geen invloed heeft, zoals het vinden van een baan, al dan niet gehuwd gaan samenwonen en een huis kopen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek schat dat meer dan driekwart van de inkomensdynamiek aan zulke life events valt toe te schrijven en minder dan een kwart aan de directe effecten van overheidsbeleid.

Maar dan nog. Bij hun becijferingen voor werknemers en uitkeringsontvangers hanteren de rekenmeesters in Den Haag tal van veronderstellingen. Die blijken achteraf vaak onnauwkeurig of onjuist te zijn. Heel belangrijk voor de ontwikkeling van de koopkracht is uiteraard de veronderstelde prijsontwikkeling van een representatief geacht pakket goederen en diensten. Ook als het netto-inkomen volgend jaar toeneemt kan de koopkracht dalen, wanneer het leven een stuk duurder wordt. Pakt de inflatie in 2006 hoger uit dan Haagse cijferaars nu ramen, bijvoorbeeld doordat de olieprijzen komend jaar verder stijgen, dan kunnen alle plaatjes in de prullenbak. Afhankelijk van hun bestedingspatroon worden huishoudens bovendien in verschillende mate door prijsstijgingen geraakt. Wie een eigen huis bezit hoeft zich over forse huurverhogingen geen zorgen te maken. Gezinnen met jonge kinderen uit de middengroepen zijn dit jaar door nieuwe wetgeving vaak een stuk meer gaan betalen voor de opvang van hun spruiten. Een deel haakte af en heeft een alternatieve oplossing gevonden: om de beurt op elkaars kinderen passen, een gastgezin voor de kleintjes, stoppen met werken. Zulke effecten van het overheidsbeleid zitten niet of slechts zeer onvolledig in het koopkrachtoverzicht dat onvermijdelijk van een gemiddeld inflatiepercentage uitgaat. Net zo lukt het niet de inkomensgevolgen van de nieuwe verzekering tegen ziektekosten nu al goed in beeld te brengen, omdat de zorgverzekeraars hun premies voor 2006 eerst tegen het eind van dit jaar bekend zullen maken.

Terwijl Den Haag op basis van veronderstellingen met gemiddelden rekent, verkeert elk van de 7,5 miljoen vaderlandse huishoudens in zijn eigen unieke situatie. Naarmate de rekenmeesters meer factoren in aanmerking nemen – verschillen in gezinssituatie, inkomensgroei, bestedingspatroon en zo meer – moeten ze meer verschillende plaatjes produceren die de werkelijke ontwikkeling van de koopkracht beschrijven. Tegelijk heeft elk plaatje betrekking op een steeds kleinere groep huishoudens. In extremis berekenen ze in Den Haag 7,5 miljoen verschillende plaatjes, die de verwachte koopkrachtontwikkeling van elk individueel huishouden beschrijven. Dat is de paradox van het koopkrachtplaatje: voor een grote groep is het onnauwkeurig, voor 7,5 miljoen individuele situaties kan de overheid geen plaatjes en beleid maken.

Het Centraal Planbureau bewandelt een gulden middenweg. Het maakt tegenwoordig koopkrachtberekeningen voor 39.000 verschillende situaties, die samen in een aantal opzichten een goede afspiegeling vormen van de positie van Nederlandse huishoudens. Zo maakt het CPB onder andere onderscheid tussen de woonlasten van huurders en de hypotheeklasten van mensen met een eigen huis. Voor elk van die situaties berekent het planbureau de koopkrachtmutatie. Bij deze aanpak verschijnt een zwerm van 39.000 punten op de koopkrachtradar.

Beweert het kabinet op de derde dinsdag in september dat vrijwel niemand er in 2006 op achteruit zal gaan? Die bewering valt te controleren met één blik op de puntenwolken die te vinden zijn in de macro-economische verkenning voor 2006. Elk puntje beneden de nullijn verbeeldt duizenden huishoudens met koopkrachtverlies. Maar met de invloed van life events kan ook het Planbureau geen rekening houden, terwijl geen puntenwolken worden gepubliceerd voor zelfstandige ondernemers, studenten en mensen die van hun vermogen kunnen leven.

Het kabinet misleidt dus parlement en bevolking wanneer het de uitkomsten van koopkrachtplaatjes gebruikt als `bewijs' hoe ons inkomen en onze koopkracht zich in 2006 tot achter de komma zullen ontwikkelen. Koopkrachtpraatjes vullen ook in 2006 geen koopkrachtgaatjes waarmee opnieuw veel huishoudens te maken zullen krijgen.

    • Flip de Kam