Alles werkt op Hollandse camping in Wallonië

Nederlanders zijn in opmars in Wallonië. Elk jaar komen er wel een paar nieuwe Hollandse campingeigenaren bij. ,,Ik kijk daar niet van op.''

Camping Maka ligt in het Ardennendorp Auby, niet ver van de Franse grens. Het kampeerterrein is ingesloten tussen bossen, een beschermd natuurgebied en twee visrijke riviertjes: La Semois en Les Aleines. Deze regio heet de Gaumestreek en heeft een microklimaat, vertelt uitbater Prosper Voncken. ,,Het is hier een paar graden warmer en iets droger dan in de rest van Wallonië.''

Voncken en zijn vrouw Juliette, beiden 37 jaar en afkomstig uit het Zuid-Limburgse Eijsden, kochten de camping in 2004. Ze betaalden ,,geen hoge prijs'', want de opstallen hadden achterstallig onderhoud. Het echtpaar gaf Maka een opknapbeurt en begon afgelopen paasweekeinde met de exploitatie. ,,We zijn hier niet gekomen om veel geld te verdienen'', legt Voncken uit, ,,maar om aangenaam te kunnen leven, met – althans 's winters – meer tijd voor onze drie kinderen.'' Voncken was manager in het bedrijfsleven, zijn echtgenote secretaresse.

De Vonckens zijn lang niet de enige Nederlandse campinghouders in Wallonië. Eind vorige week meldde voorzitter David Lavigne van Walcamp, de vereniging van Waalse campingondernemers, dat zestig van de 250 kampeerterreinen die bij Walcamp zijn aangesloten in handen zijn van `Hollanders'. ,,Elk jaar komen er wel een paar Nederlanders bij'', voegde hij daaraan toe. Wie zijn deze Nederlanders, wat zijn hun drijfveren? En redden ze zich, nu het aantal toeristen in Wallonië terugloopt?

Van dat laatste merkt Roger van Schaverbeke ,,helemaal niks''. Integendeel, zegt de Nederlandse beheerder van de grote camping Floreal in La Roche. ,,In het hoogseizoen zaten we elke dag vol, nu zitten we op 80 procent.'' Zeker, hij heeft ,,alle verhalen'' gehoord van Waalse collega's: zij klaagden steen en been over gebrek aan bezoekers, als gevolg van het slechte weer en de spotgoedkope vakantiereizen naar verre oorden. Sommigen kondigden zelfs aan hun terrein te moeten sluiten. Van Schaverbeke: ,,Ik kijk daar niet van op. Een aantal door Walen geleide campings is goed, maar er zijn ook heel slechte bij. Eén daarvan is jaren geleden in De Telegraaf omschreven als de vuilnisbelt van de Ardennen. Nou, daar gaan geen Nederlanders meer naartoe.''

Het is ook eerstejaars campinghouder Voncken opgevallen dat Walen hun kampeerterrein nogal eens laten versloffen. ,,Dertig jaar geleden begonnen ze, en nadien gebeurde er niks meer. Zo gaat het ook met hun woningen.'' Hij wijst op zijn eigen bedrijf, Maka. ,,Aan het sanitair was lang niets gebeurd, de wasmachine en de droger deden het al vijftien jaar niet meer. Dat accepteren Nederlandse gasten – en dat zijn er in deze regio veel – niet, die haken af. Door het slechte onderhoud stokt ook de opvolging. De dochter van de vorige eigenaar had geen trek de camping over te nemen. Ze zag op tegen de hoge investeringen'', aldus Voncken, die ondanks de regen voldoende natuurliefhebbers heeft begroet om dit seizoen ,,quitte'' te spelen.

Voorzitter Lavigne van Walcamp beklemtoont dat ,,tal van Waalse campingeigenaars'' goed functioneren, maar hij geeft toe dat het in het algemeen beter moet. Hij betreurt het, bijvoorbeeld, dat de helft van de Waalse exploitanten geen Nederlands spreekt. ,,In totaal zijn bij hen deze zomer 2.000 tot 3.000 e-mails uit Nederland binnengekomen, waarvan een fors aantal onbeantwoord bleef, domweg omdat de ontvangers ze niet konden lezen. Dat kost klanten.'' Lavigne meent verder dat Waalse uitbaters hun camping beter moeten aanpassen aan families. ,,Veel gasten, vooral Nederlanders, komen nu eenmaal met vrouw en kinderen.'' Een probleem vormt daarbij naar zijn zeggen het gebrek aan geld bij deze Walen. ,,De Nederlandse ondernemers in onze branche kunnen blijkbaar méér investeren, en tonen méér initiatief.''

Dat laatste beaamt Joop Kroon (72), die tot zijn pensionering vijftien jaar lang camping Chasse et Pêche in Houffalize exploiteerde. ,,Veel Walen zijn weinig ondernemend, vraag het maar aan de Vlamingen.'' Kroon leerde Houffalize kennen toen hij daar, als directeur van een internaat voor schipperskinderen, met zijn leerlingen in de Ourthe ging kanoën. De uitbater van de camping werd te oud, weet hij nog. ,,Na ampele overwegingen besloten wij het kampeerterrein te kopen, voor drie ton in guldens. Het was in ruïneuze staat, de eerste vijf jaar hebben we van alles gerestaureerd.''

Kroon – zijn zoon heeft de succesrijke camping overgenomen – heeft nooit spijt gehad van zijn vertrek naar Wallonië, waar hij thans in een opgeknapt boerderijtje woont. ,,Ik was de inspraak- en praatcultuur in Nederland gewoon een beetje zat, ik wilde weg.'' Zijn collega Van Schaverbeke uit La Roche zegt Nederland om dezelfde reden te zijn ,,ontvlucht''. ,,Dat gebeurde twaalf jaar geleden. Ik werkte voor een Nederlands elektrobedrijf op de camping, die op zekere dag onze rekening niet meer kon betalen. Mijn baas kocht daarop de kampeerplaats, ik werd beheerder. Wallonië heeft heel wat te bieden, dus ben ik gebleven. In La Roche wonen nog twee campinghouders uit Holland. Net als ik avonturiers, die Nederland beu waren.''

Aan de kabbelende Semois in Auby herhaalt de Limburgse campingbaas Prosper Voncken dat hij voor de Ardennen koos om er prettiger te leven. ,,Ik zie mijn gezin de hele dag, in Nederland leefden we toch wat langs elkaar heen.'' Hij beseft dat hij in zijn nieuwe functie de mouwen moet opstropen. Kampeerterrein Maka is aardig gerestaureerd, maar er moet nog veel méér gebeuren. Voncken heeft alle vertrouwen. Hij heeft een architect ingeschakeld die meedenkt over uitbreidingsplannen voor de komende tien jaar, zegt hij op het terras van zijn restaurantje.