Aan de verkeerde kant van de geschiedenis

Ja, minister Bot had gelijk toen hij op 15 augustus in Den Haag en daags daarna in Jakarta zei dat Nederland, toen het zich in 1945-1949 gewapenderhand verzette tegen het Indonesische nationalisme, voornamelijk belichaamd door de republiek van Soekarno, ,,aan de verkeerde kant van de geschiedenis'' was komen te staan.

Want al in 1905, toen Japan Rusland versloeg, hadden de Aziaten gezien dat een Aziatisch volk in staat was een blank volk te verslaan. Toen werden ook de kiemen gelegd voor een Indonesisch nationalisme. En toen de Indonesiërs in 1942 met eigen ogen zagen dat de Nederlandse kolonisator niet alleen verslagen, maar vernederd werd door Japan, was er geen houden meer aan.

Dat proces heeft zich ook in andere koloniale landen voorgedaan. In 1945 begon ook de opstand in Indochina tegen de Fransen, die negen jaar duurde. In 1947 ruimden de Britten, wijzer dan de andere Europeanen, het veld in Brits-Indië en Birma. Daarna volgde, soms vreedzaam, soms na bloedige strijd en met grote tussenpozen, de emancipatie van heel Afrika de Portugese koloniën het laatst.

Te denken dat Nederland als enige zich tegen deze vloed had kunnen keren, is een waangedachte, toch lang (en misschien nog) door velen gekoesterd. Maar dat betekent niet dat er geen begrip valt op te brengen voor het beleid dat de regering van het zelf net bevrijde, maar geruïneerde Nederland bijna noodgedwongen moest voeren tegenover de revolutie in Indonesië.

Daar was in de eerste plaats juist dat idee, waar generaties mee waren opgevoed, dat blank en bruin één waren en dat Nederlands-Indië een modelkolonie was, benijd door andere koloniale mogendheden. In 1945 maakte bijv. D.J. von Balluseck, hoofdredacteur van het liberale Algemeen Handelsblad, toch geen dromer, zich tolk van die gedachte in een boekje dat de veelzeggende titel Wij, deelgenoten... droeg.

En wie van de vóór de oorlog geborenen herinnert zich niet de wandplaten van J.C. Jetses waarin leven en landschap van Indië stonden afgebeeld: de sawahs en vulkanen, de desa's, de pasars. Ze hingen in elk lokaal van de lagere scholen en toonden een gelukkig en vredig beeld. Toen ik, vele jaren later, van het vliegveld op Bali reed naar mijn hotel, was het alsof ik in zo'n plaat stapte: zo vertrouwd was, nee: leek, alles hoewel ik nooit eerder in Indonesië was geweest.

Daar komt bij dat de Nederlandse bevolking in 1945, zelf net herrezen uit vijf jaren nationale vernedering, grosso modo allerminst bereid was te aanvaarden wat het als een tweede nationale vernedering beschouwde. Deze stemming uitte zich in allerlei toonaarden: van ,,erop los slaan'' tot het gevoel dat het onze plicht was Indonesië, waar Nederland internationaal-rechtelijk nog de soevereiniteit over droeg, in rust en orde aan de Indonesiërs over te dragen.

Met deze factoren zou elke naoorlogse Nederlandse regering, van welke samenstelling ook, rekening hebben moeten houden. Het geval wilde dat tussen 1945 en 1949 regeringen aan de macht waren waarin de PvdA, met principieel antikoloniale ideologie, sterk vertegenwoordigd was en twee premiers, Schermerhorn en Drees, leverde, maar slechts weinig PvdA'ers waren toen al klaar om een `Indië los van Holland' te aanvaarden.

Tel daarbij deze belangrijke factor op: Nederland was, ik stipte het al aan, geruïneerd uit de oorlog tevoorschijn gekomen. De wederopbouw van het land en zijn welvaart was de eerste taak van de regering. Nu hadden vlak vóór de oorlog de econometristen J.B.D. Derksen en de latere wereldberoemde J. Tinbergen, beiden toen werkzaam aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, berekend dat 14 procent van Nederlands nationale inkomen afhankelijk was van Nederlands-Indië.

Nu, dat was een cijfer dat (opnieuw) geen enkele regering van een praktisch failliet land kon negeren. Ook de PvdA niet (Tinbergen was trouwens een partijgenoot), want ook zij was verantwoordelijk voor het herstel van de Nederlandse economie. (Dat het na het `verlies' van Indonesië allemaal reusachtig bleek mee te vallen, ja dat `le miracle néerlandais' toen pas goed begon, kon toen natuurlijk niemand weten.)

Deze factoren en er zijn er zeker nog meer te noemen kunnen beschouwd worden als verzachtende omstandigheden bij een beoordeling van het Nederlandse beleid in de `Indonesische kwestie'. Minder mild kunnen we zijn wanneer we de internationaal-politieke aspecten van deze kwestie in het totale oordeel betrekken.

Nederland stond op het standpunt dat het internationaal-rechtelijk niet alleen het recht, maar en dat was niet uitsluitend schijnheiligheid ook de plicht had orde en rust in Indonesië te herstellen. Welnu, vele landen dachten daar anders over, zoals Nederland algauw in de Verenigde Naties zou komen te merken. Het gevolg was dat Nederland daar ten slotte het pleit zou verliezen. De rol van de Verenigde Staten was hier, toen al, beslissend.

Een maand na de militair geslaagde, maar politiek mislukte tweede zogenoemde `politiële actie' van december 1948 vertrouwde minister-president Drees een partijgenoot, die zich tegen die actie had verzet, toe dat ,,zijn kabinet een kolossale beleidsfout heeft begaan door opnieuw het internationale aspect van de Indonesische vrijheidsstrijd onvoldoende in acht te nemen'' (aldus mr. J. le Poole in zijn in kleine kring verspreide herinneringen, geciteerd in H. Daalders biografie van Drees). Helaas, ruim tien jaar later zou Nederland in dezelfde fout vervallen in de kwestie Nieuw-Guinea. (Waarin o, ironie der geschiedenis! Bots vader als staatssecretaris in het kabinet-De Quay (1959-1963) nog een rol zou spelen).

Maar ook deze fouten zijn te verklaren (minder te verontschuldigen). Nederland was een eeuw lang neutraal geweest, en ook in de tijden van de Republiek was het liefst neutraal gebleven, maar toen kon het meestal niet. Gevolg was dat, in de woorden van B.M. Telders, ,,het Nederlandse, in internationale zaken belangstellende publiek'' en welk percentage maakt dit uit van het totale publiek? ,,maar al te zeer een behoorlijke internationale scholing ontbeert''.

Ja, in het internationale recht daar heeft Nederland zijn coryfeeën. Maar in de internationale politiek, waar het, zoals in elke politiek, om macht gaat? Zo is Nederland, wat Indonesië betreft, aan de verkeerde kant van de geschiedenis komen te staan, en die is, zoals we weten (of zouden moeten weten), niet altijd rechtvaardig tegenover iedereen.

    • J.L. Heldring