Vliegende vuilnisvaten

Augustus 2005 is een rampmaand voor de burgerluchtvaart. De reeks van tot nu toe vijf ongelukken is zonder twijfel een toevallige samenloop van omstandigheden. Waar wèl lijn in te ontdekken valt, is in de incidenten waarbij zogeheten low-budgetmaatschappijen zijn betrokken. Het Brits-Cyprische luchtvaartbedrijf Helios Air, waarvan een Boeing 737-300 op 14 augustus bij Athene neerstortte met fataal gevolg voor de 121 inzittenden, is waarschijnlijk in veiligheidsopzicht ernstig in gebreke gebleven. De aanwijzingen daartoe stapelen zich op. De MD-82 van de Colombiaanse maatschappij West Caribbean Airways, die twee dagen later op weg van Panama naar Martinique in Venezuela crashte, werd door de Franse pers als un avion-poubelle omschreven: een vliegend vuilnisvat. De 152 passagiers die bij deze ramp omkwamen, hadden daar geen weet van. Ze verkeerden als verreweg de meeste luchtreizigers in de veronderstelling dat ze snel en betrouwbaar naar hun bestemming werden vervoerd.

Vliegen is statistisch gezien een zeer veilige manier van transport. Reden voor bezorgheid is er over het algemeen niet. Maar de enorme concurrentie in de luchtvaart heeft behalve spectaculaire prijsverlagingen ook iets anders meegebracht: beknibbelen op onderhoud en goedgeschoold personeel. Daarmee komt de veiligheid in geding. Dit voorjaar was het met name de Turkse luchtvaartmaatschappij Onur Air die zich met een aantal gebeurtenissen, uiteenlopend van motorstoring tot onevenwichtige belading, ongunstig onderscheidde. Het bedrijf kreeg in Nederland een tijdelijk vliegverbod en begon om die reden een juridische procedure tegen de Nederlandse luchtvaartinspectie.

Het vliegverbod, hoe onaangenaam ook, bleek terecht. Sterker nog: het ministerie van Verkeer en Waterstaat achtte verdere maatregelen tegen de Turkse maatschappij geboden. Dit ferme standpunt was toe te juichen, omdat met veiligheid niet te marchanderen valt. Dit hoogste goed, belangrijker dan goedkope tickets of gemakkelijke stoelen, zou op geen enkele manier onder druk mogen staan. De praktijk is helaas anders. Bedrijven als Helios en het door Franse kranten aan de schandpaal genagelde West Caribbean maken een simpele optelsom. Ze weten dat zaken als onderhoud, opleiding en training van het cabinepersoneel een kostprijs hebben. Door daarop te bezuinigen of de normen ervoor op te rekken, kan een eerste snelle winst worden geboekt.

Passagiers dienen zich hiervan bewust te zijn. Het Nederlandse ministerie van Verkeer en Waterstaat, dat verantwoordelijk is voor luchtvaartinspectie, heeft hier eerder al voor gewaarschuwd. En met reden. Iedereen die een goedkope vlucht boekt bij een dubieuze maatschappij loopt een zeker risico – hoe klein dit ook is. Betekent dit dat per definitie niet goedkoop kan worden gevlogen? Geenszins. Er zijn voorbeelden genoeg van luchtvaartmaatschappijen die zich aan de regels voor onderhoud, veiligheid en training houden en die toch stunten met hun prijzen. Een paar rotte appels bezoedelen het imago van een veilige luchtvaart. Het aantal lijkt te stijgen. Een rigoureuze aanpak in internationaal verband is de beste remedie tegen deze vorm van luchtpiratij.