Reddingsvest zit maar in de weg

Werknemers in de binnenvaart maken een veel grotere kans op een dodelijk ongeluk dan de gemiddelde werknemer. Dus controleert de Arbeidsinspectie de binnenvaartschepen.

Het ritmische gedreun van de legergroene brandstofpomp in de machinekamer van de Maria I overstemt bijna het stemgeluid van Martin Oostrom. Toch zegt de met valhelm, veiligheidsschoenen en reddingsvest uitgeruste arbeidsinspecteur dat het kabaal in de rijnaak in de Rotterdamse Hartelhaven kán. ,,Minder dan vijfentachtig decibel'', roept hij, ,,gehoorbescherming is niet verplicht!''

Het verrassingsbezoek aan de Maria I maakt deel uit van de steekproef die de Arbeidsinspectie tussen juli en november houdt onder tweehonderdvijftig van de in totaal ruim vijfduizend binnenvaartschepen op de Nederlandse wateren. Verspreid door het land controleren Oostrom en zijn collega's veiligheid aan boord en naleving van arbeidswetten door werkgevers.

Aanleiding is het relatief grote aantal dodelijke slachtoffers in de binnenvaart: sinds 1997 verongelukten dertien opvarenden, oftewel jaarlijks 1,5 op de 17.000 mensen die in de sector werken. Op de totale Nederlandse beroepsbevolking van ruim 7 miljoen mensen vallen jaarlijks een kleine honderd doden, 1 op de 70.000. Vorige maand nog verdronk een 17-jarige matroos in de Oude Maas bij Barendrecht nadat hij door een stroomstoot overboord was geslagen.

Op het dek van de Maria I legt Oostrom uit waar hij tijdens controles vooral op let: ,,Een groot risico bestaat uit vallende en loszittende voorwerpen, zoals lading die uit een kraan valt en touwen die rondslingeren.'' Ook let hij op de aanwezigheid van nooduitgangen en brandblusapparaten. Maar het accent van de controles ligt deze zomer op de reddingsvesten. In het snikhete vooronder van de Maria I werkt stuurman Gerard Verweij. Hij vaart al twaalf jaar, maar zegt zijn reddingsvest lang niet altijd te dragen wanneer hij aan dek is. ,,Laksheid'', zegt hij. ,,Bij storm draag ik hem wel, maar 's zomers, met warm weer, zit zo'n ding maar in de weg.''

Directeur Dienstverlening van de Arbeidsinspectie Hans Bor loopt vandaag mee met Oostrom. Bor verbaast zich erover ,,hoe gemakkelijk'' matrozen omgaan met het risico overboord te slaan en te verdrinken. ,,Een stalen dek met water erop is spiegelglad, golfslag en wind maken dat je je evenwicht verliest, 's nachts zie je weinig: je ligt er zo naast.'' De directeur wijst erop dat negen van de dertien slachtoffers sinds 1997 vielen door verdrinking. Dat menig opvarende het niet overdreven nauw neemt met de reddingsvesten, wijdt hij aan ,,beroepsblindheid''. ,,Het is net als met bouwvakkers die geen helm dragen: `mij overkomt toch niets', denken ze.''

Wil inspecteur Oostrom een schipper bestraffen, dan variëren zijn sancties van een waarschuwing tot een boete of en dat vinden schippers het ergste het stilleggen van het schip. Dat laatste gebeurt alleen bij `levensbedreigende situaties'. Als voorbeeld noemt Oostrom een onbedekte schroefas, de verbinding tussen schroef en motor. ,,Een tijdje geleden raakte een schipperszoon met zijn kleding in zo'n as verstrikt. Zijn ouders troffen hem halfdood aan toen ze in de machinekamer kwamen.'' Oostrom heeft bij de zestig controles tot nu toe geen levensbedreigende zaken gezien.

De Maria I mag na een inspectie van ongeveer een uur vertrekken. Alle bewegende delen in de machinekamer zijn netjes afgedekt; de reddingsvesten blijken te zijn gekeurd. Wel zegt Oostrom dat hij graag relingen langs de buitenkant van het schip ziet, maar hij voegt daaraan toe dat dit praktisch nauwelijks haalbaar is. ,,Zodra je aanmeert, drukken de kabels langs de lengte van het schip zo'n hekje meteen stuk.''

Volgens de brancheorganisatie voor de binnenvaart, Schuttevaer, worden binnenvaartschepen maandelijks vanaf bruggen of viaducten met stenen bekogeld. Volgens Oostrom geen zaak voor de Arbeidsinspectie. ,,Wij houden ons alleen bezig met de veiligheid op schepen zelf'', zegt Oostrom. ,,Stenengooien is een zaak van de politie.''

Na enig speurwerk stuiten Oostrom en Bor aan de kade van cementbedrijf Mebin in de Dintelhaven op een bulkschip. De bemanning, de broers Jos (48) en Jean (44) van de Velpen hebben zojuist vijftienhonderd ton zand vervoerd en staan op het punt weer te vertrekken. Op de vraag van Oostrom, of hij een reddingsvest draagt, verklaart Jos van de Velpen volmondig dat hij het vest alleen draagt wanneer hij midden op een rivier het dek schoonmaakt. ,,Tijdens het laden en lossen zit een vest in de weg.''

Beneden in de beklemmende boegschroefruimte ontdekt Oostrom een misstand. Een tussenas hangt onbedekt op ooghoogte. ,,Daar moet een rooster voor, schipper.'' Van de Velpen: ,,Hoe lang krijg ik? Twee maanden?'' Oostrom: ,,Een week.'' Na enig onderhandelen weet Oostrom de schipper ervan te overtuigen dat verzet zinloos is; een boete dreigt. Wel deelt de inspecteur alvast een waarschuwing uit. ,,Over een week kom ik controleren of er een rooster hangt.'' Verwacht hij dan het schip over een week weer op dezelfde plek aan te treffen? ,,Nadeel is dat de locaties die ik bezoek mobiel zijn'', zegt Oostrom. ,,Maar vroeg of laat komen we dit schip weer tegen.''

    • Mark Schenkel