Minimoog: zoet bijtend, vet vloeiend

Bob Moog, afgelopen zondag overleden, lanceerde in 1971 de Minimoog, de eerste geslaagde synthesizer. Het karakteristieke geluid van het apparaat staat te boek als `vet'.

Ze zijn er in alle soorten en maten, fysiek en virtueel, analoog en digitaal, maar nog steeds voelt er geen aan als een Minimoog, de eerste synthesizer waarmee popmuzikanten vanaf begin jaren zeventig écht uit de voeten konden. En weinig synthesizers zijn sindsdien zo visueel en logisch opgebouwd als het eerste massaproduct dat de afgelopen zondag overleden pionier Bob Moog op de markt bracht.

Moogs eerste geesteskinderen waren grote kasten die met gemak een kamer vulden, uit modules waren opgebouwd en aan elkaar hingen met stekkers en snoeren. Zijn latere synthesizermodellen waren al wat compacter, maar pas de Minimoog staat te boek als de eerste geslaagde, in één behuizing geïntegreerde synthesizer met klavier. 3,5 octaaf, en monofoon – dus met maar één toon tegelijk. Redelijk onbetaalbaar voor de gewone stervelingen onder de muzikanten, dat wel. Dat Rick Wakeman, toetsenist van de popgroep Yes, destijds verscheidene Minimoogs met elkaar doorschakelde was dan ook reden tot bewonderende afgunst: het equivalent van een spreekwoordelijke miljoen weken zakgeld.

Voor het karakteristieke geluid van de Minimoog bestaat een informele vakterm die jaren van innovatie heeft doorstaan: `vet'. Het apparaat beschikte over twee opwekkers van basale tonen, oscillatoren, daarnaast een laagfrequente oscillator (lfo) voor vibrato-achtige effecten, en een ruisgenerator. Dat alles kon worden gemengd en vervolgens in de geest van de zogenoemde substractieve synthese door middel van een frequentiefilter bewerkt. Zowel het filter als het volume van de resulterende klank gingen door een zogenoemde `envelope', die het volume van de aanzet, verval en aanhouden van filter of volume bepaalde. Links van het klavier bevonden zich twee wielen, één pitchwheel voor het manipuleren van de toonhoogte - waardoor de toetsenist bijvoorbeeld het opdrukken van de snaren van een electrische gitaar kon nadoen, en een wiel voor het moduleren van het geluid. Het resultaat was een rijk geluid, vol harmonische effecten, dat in hoge mate kon worden bepaald door de gebuiker. Van snappy en bijtend, tot zoet en vloeiend.

In grote lijnen kan heel aanschouwend, van links naar rechts worden gewerkt: het kiezen van de golfvorm van de oscillatoren – het fijn licht onstemmen van één van de twee levert al meteen een goudmijn aan boventonen op; het aanbrengen van een deining met de lfo, wat gritty ruis er bij; het al draaiend kiezen van de filterfrequentie (de mond doet hier in de regel onwillekeurig mee); het instellen van de envelopes voor filter en volume – van een een aanzwellende roep tot een korte knauw. Aan Moog moet niet alleen de techniek van de eerste echte massasynthesizer worden toegeschreven, hij stond ook aan de basis van de layout van het instrument. Nog steeds ontberen weinig synthesizers bijvoorbeeld de twee wielen aan de linkerkant.

De Minimoog, waarvan er uiteindelijk tot en met het Model D in 1981 12.000 van werden gemaakt, bleef niet lang alleen. Al snel verschenen soortgelijke instrumenten op de markt, en kwamen de eerste polyfone, meertonige synthesizers. Vooral Japanse digitale synthesizers van Korg, Roland of Yamaha zouden daarna domineren, vaak met andere geluidsopwekkingsmethoden als additieve synthese of zogenoemde wavetables. En met de zogenoemde frequentiemodulatie (FM), waarbij oscillatoren niet met elkaar werden gemengd, maar elkaar beïnvloeden. De Yamaha DX7 is de bekendste FM-synthesizer, en de populariteit van dit instrument (er werden er 160.000 verkocht) met zijn licht disharmonische, bel-achtige karakter leidde in de jaren tachtig tot een ware FM-terreur die bijdroeg aan de eenheidsworst in de popmuziek van de jaren tachtig.

De door Bob Moog ingeleide revolutie raakte in de jaren negentig in een stroomversnelling. Naarmate de personal computer krachtiger werd en geschikter voor het maken van muziek is er een scala aan sample- en synthesizerprogrammatuur op de markt gekomen. Vrijwel elke synthesizer van het eerste uur is al nagebouwd. De virtuele Minimoog van het Franse Arturia komt verrassend dicht in de buurt van het orgineel, maar thuis of in de studio, achter het beeldscherm. Andere programma's, zoals Reaktor van het Duitse bedrijf Native Instruments stellen de gebruiker in staat om uit modules geheel nieuwe synthesizers te bouwen. Net als Moog vroeger deed, maar nu virtueel.

Toch is alleen al het gevoel bij het draaien aan een knop van een echte Moog niet na te bootsen: soepel en toch taai genoeg, ruimhartig maar precies. Verrassend genoeg gaan ook de echte synthesizers weer retro – met véél knoppen, en met de mogelijkheden van vandaag. De Zweedse Nord-synthesizers van Clavia zijn er een voorbeeld van, maar het invloedrijkst op dit moment is toch de Virus-synthesizer van de Duitse fabrikant Access. Luister naar dance en de kans is groot dat er een Nord in zit, en nog groter dat er een Virus aan te pas is gekomen.

En de goede oude Minimoog dan? Wie er één wil bezitten hoeft niet meer naar de tweedehandsmarkt. Toen Bob Moog na allerlei zakelijke perikelen in 2003 weer onder eigen naam synthesizers op de markt bracht, kwam hij met de Moog Voyager. Dat is in essentie een Minimoog, maar dan aangepast aan de techniek van nu. Laatst nog een vrij uurtje nostalgisch mee gestoeid bij Turnkey aan Charing Cross Road in Londen. Hij klinkt net zo vet, voelt hetzelfde aan en is bloedmooi. En met een prijs van richting 3000 euro nog even onbereikbaar voor de beginnende muzikant als toen.

    • Maarten Schinkel