Maak dossier-Beel openbaar

Het dossier-Beel uit 1956 over de Hofmans-affaire is van algemeen belang en daarom hoort het niet dat het toegankelijk is voor één historicus, vindt Lambert J. Giebels.

Na de ministerraadvergadering van afgelopen vrijdag heeft premier Balkenende de politieke verantwoordelijkheid op zich genomen voor het besluit van de koningin om de historicus Fasseur voor zijn monografie over de zogenoemde Greet-Hofmansaffaire inzage te geven in het rapport van de commissie-Beel over deze affaire (NRC Handelsblad, 20 augustus). Balkenende motiveert dit besluit met de stelling dat het desbetreffende dossier een privé-zaak van het koninklijk huis betreft, omdat de opdracht aan genoemde commissie zou zijn uitgegaan van het koninklijk paar.

Deze bewering wordt weersproken door een tweetal, tot dan toe gesloten, dossiers op het nationaal archief, die in december vorig jaar na het overlijden van prins Bernhard zijn vrijgegeven. Het zijn de dossiers van Gerbrandy, die lid was van de commissie-Beel, en van Fock, destijds secretaris-generaal en vertrouweling van minister-president Drees.

Uit het dossier-Fock blijkt dat het initiatief voor de opdracht is uitgegaan van het kabinet, of althans van premier Drees. Gekozen was voor een opdracht door het koninklijk paar, in plaats van door het kabinet, om te voorkomen dat het kabinet aan de Tweede Kamer verantwoording zou moeten afleggen van de inhoud van het commissierapport, waardoor het onvermijdelijk openbaar zou worden.

Om dezelfde reden werd de drie leden van de commissie verzocht hun openbare functies neer te leggen, Beel die van (demissionair) minister van Binnenlandse Zaken, Gerbrandy zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer zijn functie als ambassadeur in Parijs. Uit het dossier-Fock blijkt ook nog dat hij zich als secretaris-generaal in opdracht van Drees gebogen heeft over de bewoording die de opdracht van het koninklijk paar aan de commissie zou moeten krijgen. Deze opdracht luidde om de herkomst na te gaan van de infame praatjes over het koningshuis in de buitenlandse pers. Daarmee werd gedoeld op een artikel in het Duitse blad Der Spiegel van 13 juni 1956, waarin de gebedsgenezeres Greet Hofmans, die door Bernhard en Juliana naar Soestdijk was gehaald om genezing te vinden voor de oogkwaal van de jongste prinses, een soort Raspoetin aan het hof was geworden.

Met deze opdracht was de commissie gauw klaar. In het dossier-Gerbrandy zit de tekst, of althans de concept-tekst, van het eerste hoofdstuk van het rapport van de commissie. Dit hoofdstuk draagt de titel `Het lek'. De commissie vertelt daarin dat het haar weldra duidelijk was dat prins Bernhard, nota bene een van haar opdrachtgevers, de bron van het Spiegelartikel was. Der Spiegel heeft dit in de jaren negentig bevestigd, en het is ook nog eens door Bernhard zelf bevestigd in zijn befaamde postume interview in de Volkskrant.

Uit twee genoemde dossiers blijkt dat de commissie zich niet zozeer bezighield met de Raspoetin aan het hof, maar met een dreigende echtscheiding van het koninklijk paar. Die zou op zijn beurt troonsafstand van Juliana met zich meebrengen, en vroegtijdige troonsbestijging door prinses Beatrix. De feitelijke opdracht van de commissie was uitgegaan van Drees, zo blijkt uit de dossiers. Diens opdracht aan de commissie was tot elke prijs een echtscheiding te voorkomen. Hij vond daarvoor de volle instemming van de voorzitter van de commissie, die er precies zo over dacht, en met wie Drees voeling hield tijdens de werkzaamheden van de commissie. Fock laat blijken dat niet alle ministers het met deze koers eens waren. Minister van Buitenlandse Zaken Beyen koerste volgens Fock aan op troonsafstand, Mansholt en Staf sloten zich daarbij aan. De discussies tussen Drees c.s. en Beyen c.s. zijn, nog steeds volgens Fock, niet genotuleerd. Het moet er niettemin heet aan toe zijn gegaan. De Beyen-partij wilde kennelijk ver gaan in haar pogingen Juliana van de troon te krijgen. Fock beweert (letterlijk) ,,ook is gedacht aan een ontoerekeningsvatbaarheidsverklaring van de koningin''!

Uit dit alles blijkt in de eerste plaats dat in feite het kabinet de opdrachtgever van de commissie-Beel is geweest, voorts dat Greet Hofmans, naar wie de hele affaire is genoemd, daarin geen hoofdrol, maar een bijrol heeft gespeeld – in zoverre dat zij één van de stoorzenders is geweest in het huwelijk van Juliana en Bernhard.

Bovenal moet uit dit alles worden geconcludeerd dat het niet louter ging over een privé-aangelegenheid, maar om een ernstige constitutionele crisis. Hoe die uiteindelijk is opgelost, zal uit het rapport van de commissie-Beel blijken, en uit de stukken in het dossier-Beel waarop de commissie haar adviezen heeft gebaseerd. Dit betekent al met al dat het dossier-Beel op het Koninklijk Huisarchief in hoge mate betrekking heeft op `het functioneren van het koningschap', en waarvan de motie-Kalsbeek, die in januari door de Tweede Kamer is aangenomen, zegt dat deze naar het nationaal archief moeten worden overgebracht – waarmee de premier in een schriftelijke reactie op de motie heeft ingestemd.

Moet men de koningin het recht ontzeggen een hofhistoricus aan te wijzen om dit alles te onderzoeken, omdat deze (in de woorden van Balkenende) ,,een goed schrijver en integer wetenschapper'' is, en hem daarvoor faciliteiten te verlenen? Uiteraard niet. Maar nu duidelijk is dat het dossier-Beel, dat de sluitsteen van de affaire vormt, wel degelijk van algemeen belang is, kan de koningin, noch de premier, uit het oogpunt van rechtsgelijkheid alleen Fasseur inzage geven in het Beel-dossier.

Dr. Lambert J. Giebels is historicus.

    • Lambert J. Giebels