Haags Gemeentemuseum lijkt uit op eigenbelang

De aankoop door het Rijksmuseum van het schilderij `Oostzijdse molen bij maanlicht' van Mondriaan heeft tot veel reacties geleid. De leiding van het Haagse Gemeentemuseum vond de aankoop een raadsel. Het Rijksmuseum ontkracht de vrees dat het een modern instituut wil worden.

Het artikel `Aankoop van Mondriaan is een raadsel' van directeur Wim van Krimpen van het Gemeentemuseum Den Haag en zijn conservator Hans Janssen waarin wordt gesteld dat het Rijksmuseum zich moet onthouden van het verwerven van 20ste-eeuwse kunst, lijkt op het eerste gezicht redelijk. Er zijn immers uitstekende musea die die eeuw stevig verzamelen? Daarbij noemen zij met name het Haagse gemeentemuseum, het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Kröller-Müller Museum. Echter, het Kröller-Müller verzamelt vooral internationale beeldhouwkunst en beeldhouwerstekeningen. Van de drie door Van Krimpen en Janssen genoemde musea is alleen de collectie van het Kröller-Müller rijkseigendom. De twee andere collecties zijn eigendom van de desbetreffende gemeenten.

Is er dan geen rijksverzameling van moderne kunst of zou die er niet moeten zijn? Zij is er wel, zij het met vele lacunes: die van het Instituut Collectie Nederland te Amsterdam en Den Haag. Maar die collectie is `bevroren' toen de minister van Cultuur in 1992 in zijn wijsheid de fondsen voor rijksaankopen voor dat instituut overhevelde naar de Mondriaanstichting, die rijks- en niet-rijksmusea financieel steunt bij het verwerven van hedendaagse kunst.

Een rijkscollectie van hoogtepunten uit de Nederlandse kunst van de 20ste eeuw zou passend zijn, zoals het vanzelfsprekend is dat de collectie oude kunst en kunstnijverheid van het Rijksmuseum eigendom van het rijk is. Dat weten de Fransen maar al te goed met hun Centre Pompidou. In Nederland is geen Rijksmuseum voor moderne kunst.

Als het Rijksmuseum, dat een aantal jaren geleden met instemming van het ministerie van WVC zijn ambities kenbaar maakt om een kerncollectie te gaan vormen van 20ste-eeuwse kunst door middel van aankopen en bruiklenen, een schilderij verwerft van een vooraanstaande Nederlandse schilder uit de moderne tijd is Leiden in last. Van Krimpen en Janssen gaan voorbij aan de wenselijkheid van een kerncollectie van de Staat der Nederlanden op het gebied van de 20ste-eeuwse kunst.

    • A.S. Hartkamp