Geen `mugsby', maar zorgen in overvloed

Met slechts zo'n driehonderd actieve speelsters speelt het Nederlandse vrouwenrugby zich af in de anonimiteit. Zo ook afgelopen weekeinde tijdens de Haagsche Rugby Dagen.

,,Vrouwenrugby? Oh, bestaat dat ook?'', is de reactie die international Kitty Vloemans (32) van toernooiwinnaar Thor uit Delft nogal eens krijgt, wanneer ze vertelt dat ze aan rugby, de `mannensport bij uitstek', doet. En anders wordt haar wel gevraagd of de stoere sport met de ovalen bal niet te gevaarlijk is vrouwen. ,,Binnen de rugbywereld hebben vrouwen tegen veel vooroordelen moeten opboksen'', weet Vloemans.

Gelet op het fanatisme en spelplezier dat de rugbysters zaterdag op het veld van de Haagsche Rugby Club (HRC) aan de dag leggen, lijken die anonimiteit en vooroordelen de speelsters niet te deren. In het duel tussen de Delftse studentenvereniging Thor en gastclub HRC ontzien de speelsters elkaar niet. Fanatiek gaan ze de scrum in of vloeren ze de tegenstander met een tackle. ,,Agressiever meiden!'', schreeuwt een speelster van HRC haar ploeggenoten toe. Langs de lijn beklaagt een speelster van het Engelse Portsmouth zich tussen twee wedstrijdjes door over een pijnlijke schouder. ,,Ik ben gebeten in de scrum'', klinkt het verbaasd.

Na de afgetekende nederlaag tegen Thor stappen de speelsters van HRC, vorig jaar debutant in de vrouwencompetitie, met verhitte gezichten van het veld. Een van de `beginnelingen' is teammanager en speelster Marijke Koopman. Naar eigen zeggen kan ze na één seizoen HRC nog ,,niet echt rugbyen''. ,,Ik houd wel van een pittige sport, en het is een gezellig wereldje. In het begin was ik wel bang, maar ik ben harder geworden. Mijn omgeving verklaart me voor gek. Mijn ouders denken dat ik van alles breek. Er zijn nog veel van dit soort vooroordelen'', verzucht Koopman.

Maar volgens voorzitter Marga Deenen van het Leidse DIOK, zelf twintig jaar actief geweest als rugbyster, is dat niets vergeleken met het onbegrip en de weerstand, die het vrouwenrugby in de begintijd opriep binnen het traditionele mannenbolwerk. Vrouwenrugby in Nederland ontstond eind jaren zeventig in de studentensteden Wageningen, Enschede en Eindhoven, vertelt Deenen. ,,In het begin waren enkele bestuursleden van de rugbybond er faliekant op tegen. Vrouwenrugby zou het masculiene karakter van de sport aantasten en moest maar mugsby of frutsby heetten. De vooroordelen zijn beduidend minder geworden, hoewel vrouwenrugby nog wel genegeerd wordt. Vrouwen mogen tegenwoordig ook aan stoere sporten doen. De samenleving staat er meer voor open.''

Vrouwenrugby wordt in Nederland volgens Deenen beoefend op ,,fanatiek amateurniveau''. De achterstand ten opzichte van toplanden als Engeland of tweevoudig wereldkampioen Nieuw Zeeland, waar het vrouwenrugby een (semi)-professionele status heeft, is groot. Niet verwonderlijk, aangezien een topsportklimaat ontbreekt in het Nederlandse rugby. De financiële middelen van de bond zijn beperkt, de weinige topspeelsters combineren sport met werk en/of studie, en `gezelligheid' is voor veel speelsters, meestal afkomstig uit de studentenwereld, net zo belangrijk als presteren.

Gevolg is volgens Deenen dat voor het Nederlands vrouwenteam maar gevist kan worden uit ,,een kleine vijver''. ,,Er valt winst te halen met professioneel kader en coaches, maar daarvoor is geld nodig en dat is er niet.'' Zonder aansprekende prestaties het vrouwenteam wist zich dit voorjaar niet te plaatsen voor het WK in 2006 kan de nationale ploeg geen voortrekkersrol vervullen. En het valt toch al niet mee om vrouwen warm te maken voor de contactsport, weet Deenen. ,,Je moet er tegen kunnen dat mensen aan je gaan trekken en je wegduwen. Jonge meisjes die rugbyen zijn er wel, maar er valt vaak een gat tussen twaalf en achttien.''

Volgens de DIOK-voorzitter is sprake van een golfbeweging. ,,Ik ben blij dat vrouwenrugby weer een beetje groeiende is'', wijst ze op de komende uitbreiding van de competitie, van dertien naar zestien teams. Te hopen valt dat deze groei leidt tot een sterkere competitie met meer tegenstand, want dat is volgens HRC-coach Dirk-Jan Verlinden de enige manier om het Nederlandse vrouwenrugby een stimulans te geven. ,,De onderlinge verschillen zijn te groot. De competitie moet eerst sterker, groter en stabieler worden.''

Het Bankras-model van de succesvolle generatie volleyballers acht Verlinden ongeschikt voor het vrouwenrugby, dat eerst in de breedte moet groeien. ,,Als je internationals apart laat trainen, verzwakt dat de competitie. Die heeft internationals nodig, aan wie andere speelsters zich kunnen optrekken. Er zijn maar weinig toppers met de individuele klasse van Kitty (Vloemans, red.) die ook in Engeland meekunnen. Eerst moet de vijver waaruit het Nederlands team kan vissen groter worden'', concludeert ook Verlinden. Geld en middelen van de bond zijn daarbij welkom, want: ,,Ondanks dat het een kleine sport is, doet Nederland het naar verhouding goed en is er groeipotentie.''

Maar geld is slechts in beperkte mate voorhanden, weet Vloemans die sinds 1997 voor Nederland uitkomt en twee mondiale titeltoernooien WK in Amsterdam (1998, elfde plaats) en Barcelona (2002, vijftiende) meemaakte. ,,Veel komt aan op de eigen inbreng van de speelsters.'' Bondsvoorzitter Gerard Kemps beaamt het belang van een aantrekkelijk internationaal programma voor de ,,continuïteit van het vrouwenteam''. Voorlopig is de internationale speelkalender echter akelig leeg. ,,Voor de dames ontvangen wij geen subsidie. Alles betalen we uit eigen middelen. We zijn een bond met zeer beperkte middelen en een zwaar `programma' van kostenbeheersing. Maar voor een WK hadden we geld uitgetrokken. Probleem is dat er nu geen internationaal programma is.''

    • Pieter de Vries