Fonds nodig voor testen van geneesmiddelen

Minister Hoogervorst wil investeren in een topinstituut voor medicijnonderzoek. Wat nog ontbreekt, is een flinke pot structureel geld voor doelmatigheidsonderzoek, betoogt Maarten Boers.

Minister Hoogervorst van Volksgezondheid zit niet stil. Na de ombouw van het zorgverzekeringsstelsel lanceerde hij vorige week een plan om geld te investeren in een topinstituut dat samen met de industrie onderzoek doet naar nieuwe geneesmiddelen (NRC Handelsblad, 18 augustus). Een welkome injectie in de Nederlandse kenniseconomie en misschien op de langere termijn (langer dan 10 jaar) ook goed voor de zorg. Aan de andere kant van het spectrum wil hij de toelating van nieuwe dure geneesmiddelen verbeteren door eenvoudiger financiering en snelle, voorwaardelijke toelating op de markt.

Is daarmee nu alles dus koek en ei met de medicijnen? Helaas niet. Zoals Frans F.H. Rutten en Adri Steenhoek op de Opiniepagna van 16 augustus betoogden: niet alles wat technisch kan is ook betaalbaar, hoe goed je de zaak ook regelt.

Als maatschappij ontkomen we er niet aan telkens keuzes te maken. Idealiter kiezen we de medicijnen die het meest `doelmatig' zijn, die de meeste waar bieden voor hun geld. Dat geldt overigens net zo goed voor andere `producten' zoals de inzet van traumahelikopters en dure scanapparaten.

In juni schreef minister Hoogervorst aan de Tweede Kamer dat hij definitieve toelating van dure geneesmiddelen wil laten afhangen van een doelmatigheidstoets, maar hoe dat moet laat hij in het midden: ,,Fabrikanten, behandelaars en instellingen zullen gezamenlijk moeten zorgen dat binnen een vastgestelde periode voldoende data worden aangeleverd bij het College van Zorgverzekeringen voor de doelmatigheidstoets.'' Volgens Hoogervorst hebben alle betrokkenen hun medewerking toegezegd aan dit doelmatigheidsonderzoek. Maar de onbeantwoorde vraag is: wie gaat het ontwerpen, uitvoeren en vooral: betalen?

De genoemde betrokkenen hebben uiteenlopende belangen, expertise en middelen voor doelmatigheidsonderzoek. Fabrikanten en behandelaars willen nieuwe middelen graag snel invoeren; hun expertise wisselt, en alleen de industrie heeft geld voor onderzoek. Instellingen (en verzekeraars) houden niet van nieuwe dure kostenposten, ze hebben geen expertise en zijn niet gewend geld te reserveren voor onderzoek. Alleen de overheid vertegenwoordigt het algemeen belang en kan beschikken over voldoende expertise en geld.

Helaas is het hele veld van doelmatigheidsonderzoek in Nederland door bezuinigingen en reorganisaties de afgelopen jaren in de knel gekomen. Een voorheen succesvol subsidieprogramma van bescheiden omvang is door het ministerie van Volksgezondheid heringericht. Erger, dit ministerie beschouwt zich niet als `belangrijkste klant' van doelmatigheidsonderzoek. Dat zijn volgens seniorambtenaren ,,bepaalde veldpartijen'', onder meer de verzekeraars. Het ministerie zet hier niet in op kennis maar op implementatie.

Het budget voor geneesmiddelonderzoek is in heel Europa, maar vooral in Nederland uiterst beperkt. Na vele jaren niks (dus ook niet via het bovengenoemd programma) is er voor het eerst in 2005 weer wat subsidie: 800.000 euro, wat niet eens genoeg is voor één onderzoek. Men vertrouwt liever op onderzoek uit het buitenland, of op gegevens die de industrie vrijwillig mag aandragen. Buitenlandse gegevens zijn lang niet altijd te gebruiken, onder meer door grote verschillen in de financiering van de gezondheidszorg.

Industrieonderzoek is over het algemeen van goede kwaliteit, maar het is geen doelmatigheidsonderzoek. De industrie verricht meestal placebo-gecontroleerd onderzoek, dat wil zeggen dat de helft van de patiënten een placebo krijgt, en de andere helft het nieuwe middel. In zulk onderzoek (verplicht voor registratie) komt het nieuwe middel er natuurlijk veel beter uit dan in onderzoek waarbij de bestaande behandeling in de praktijk vergeleken wordt. Sinds kort financieren fabrikanten van dure geneesmiddelen ook `echt' doelmatigheidsonderzoek. Vreemd genoeg is de uitkomst altijd dat het middel doelmatig is.

Het is derhalve hoog tijd voor een Deltaplan Doelmatigheidsonderzoek: een structurele opwaardering van het bestaande, goedlopende programma om doelmatigheidsvraagstukken doorlopend door onafhankelijke onderzoekers te laten beantwoorden. En dan niet alleen de vragen over dure geneesmiddelen, maar ook over de `gewone' nieuwe geneesmiddelen en de dure apparaten. Ook deze worden met veel bombarie op de markt gezet, zijn veel duurder dan wat er al is, maar bieden lang niet altijd waar voor hun geld.

Goed onderzoek is gewoon duur, onder meer door nieuwe Europese regels. Een onderzoeksproject kost gemakkelijk 1 à 2 miljoen euro. Maar als we één eurocent van elke aan medicijnen uitgegeven euro zouden reserveren voor dit fonds, zouden we jaarlijks 40 miljoen te besteden hebben. Daarnaast zouden verzekeraars en fabrikanten verplicht kunnen worden dit fonds te ondersteunen.

Verantwoorde keuzes maken kan alleen op grond van goede gegevens. Het verzamelen en beoordelen van die gegevens moeten niet worden overgelaten aan marktpartijen, ook al lijkt dat goedkoper.

Maarten Boers is hoogleraar klinische epidemiologie, VU Medisch Centrum Amsterdam. Hij adviseert onderzoekers, overheidsinstellingen en de farmaceutische industrie bij het opzetten en verrichten van klinisch wetenschappelijk onderzoek.

www.nrc.nl/opinie : Artikel Rutten en Steenhoek

    • Maarten Boers