De tragiek van de basisschool

Dit jaar bestaat de basisschool twintig jaar. Een reden om feest te vieren? Zeker niet, want van de idealen – of wat daarvoor door moest gaan – is niet veel terechtgekomen. Voor- en tegenstanders zullen het daarmee eens zijn.

Om dit duidelijk te maken allereerst een citaat uit een brochure uit de beginjaren, gericht aan de ouders. Het ministerie zegt: ,,Als u op een willekeurig moment de basisschool binnenstapt, zult u misschien bij de eerste aanblik denken: wat een bende! Kinderen die niet alléén in het klaslokaal maar ook in de gang bezig zijn. Hier een groepje kinderen aan het lezen, ergens anders een groepje bezig met verven. U ziet er ook kinderen die iets alleen aan het doen zijn. Na goed zoeken ontwaart u de leerkracht die een kind helpt. Wat opvalt is dat de groepjes bestaan uit kinderen van verschillende leeftijden. Dat is wel even iets anders dan in uw schooltijd.'' Dat is waar, maar ziet het basisonderwijs er zo uit? Gelukkig niet.

De meest ingrijpende verandering was dat de kleuter- en de lagere school samengevoegd werden om een ononderbroken ontwikkeling mogelijk te maken en zo de continuïteit te bevorderen. De individuele ontplooiing, de eigen leerweg, stond centraal. Het leerstofjaarklassensysteem moest op de helling. Bij het lesgeven moest uitgegaan worden van de verschillen tussen leerlingen, niet van het gemeenschappelijke.

Ook de opleiding voor kleuterleidster en voor onderwijzer lagere school werden samengevoegd, zonder echter de studieduur aanzienlijk te verlengen. Dit ging ten koste van de diepgang. De leerkracht diende ook `breed inzetbaar' te zijn, dus zowel aan de kleuter als aan de leerling van groep 8 te kunnen lesgeven. Hierdoor is de animo voor de pabo sterk afgenomen met alle kwade gevolgen van dien.

Er is gewaarschuwd dat de kleutergroepen zouden verschoolsen. Die waarschuwing heeft helaas niet geholpen. Een schande was het dat de basisvorming, het onderwijs in de eerste jaren na de basisschool, er kwam. De idealen ervan stonden haaks op die van het basisonderwijs.

Dit keer stond het `gelijke kansen-ideaal' op de voorgrond, uitstel van selectie. En dat terwijl de gewenste werkwijze in het basisonderwijs er onvermijdelijk toe leidt dat vroegtijdig selectie plaatsvindt. Geen sprake meer van die hooggeroemde continuïteit waar de kleuterschool aan opgeofferd moest worden.

Om een naadloze aansluiting van het basisonderwijs op de basisvorming te bevorderen, kwam er – het was te verwachten – de roep om eindtermen in het basisonderwijs. In wezen pasten die niet in de Wet op het basisonderwijs. Maar na jaren van geharrewar en wijzigingen kwamen ze er en mondden uiteindelijk uit in wat nu de kerndoelen zijn.

Er kwamen leerlingvolgsystemen met daarbijbehorend toetsmateriaal. De eindtoets in groep 8 werd een soort graadmeter voor kwaliteit en ging meer en meer als selectiemiddel dienen. Ook de term `gemiddelde leerling' kwam weer in gebruik.

Triest voor de leerkracht is dat hij in feite niet klassikaal mag lesgeven – en dat past toch zo goed bij al dat getoets –, maar steeds het verwijt krijgt te weinig rekening te houden met verschillen. Dit rekening houden wordt nog bemoeilijkt, doordat het regulier primair onderwijs via `weer samen naar school' en het `rugzakje' steeds minder leerlingen mag verwijzen naar het speciaal onderwijs.

Dit korte relaas geeft al aan dat er geen reden is om feest te vieren vanwege het 20-jarig bestaan van de basisschool. Of het moet zijn dat de leraren het ondanks wanbeleid van de overheid nog twintig jaar volgehouden hebben zich voor de leerlingen in te zetten.

Is er dan niets ten goede veranderd in die twintig jaar?

Zeker wel, maar die veranderingen waren er waarschijnlijk ook wel gekomen zonder de Wet op het basisonderwijs van 1985.

J.P. Kwestro is ex-leraar in het basisonderwijs.

    • J.P. Kwestro