Vergeten

Toen ik gisteren aan het begin van de avond na een lange treinreis thuiskwam, had ik eerst niks in de gaten. Er was alleen, maar dat is misschien een interpretatie achteraf, een licht, ondefinieerbaar gevoel van een gemis, alsof ik ergens iets had laten liggen, zonder precies te weten wát.

Mijn bril was het gelukkig niet, zodat ik onbekommerd de televisie aan kon zetten om het voetbal te bekijken. De uitzending was al een poosje bezig, maar dat geeft tegenwoordig niet, want bij Talpa bewaren ze het lekkerst voor het laatst. We waren net bij de tweede helft van PSV-Vitesse beland toen mijn vrouw binnenviel met de vraag: ,,Waar heb je je tas gelaten?''

Mijn tas? Tja, wist ik veel. Ik zag Vitesse sterk terugkomen in Eindhoven, Hiddink zat te beven op zijn stoel, kon die tas niet even wachten? Nee, dat kon niet, want in die tas zat een vlaai, een Limburgse vlaai die ik van familie in het zuiden had meegekregen, en die vlaai moest zo snel mogelijk in de koelkast, anders zou het niet lang meer een lekkere Limburgse vlaai zijn.

Toen schoot me te binnen dat ik mijn tas bij het overstappen in Utrecht in de trein had laten staan. Mét vlaai. En niet alleen met vlaai, maar ook met de tekst van het eerste stukje waarmee ik mijn lezers na mijn vakantie had willen verblijden.

,,Jezus'', siste ik, hoewel ik weet dat me dit een juridische vervolging door de Bond tegen het Vloeken kan kosten. ,,Wat nu?''

,,Bel onmiddellijk de Spoorwegen'', riep mijn vrouw, ,,want er zit ook nog dat fotoalbum in dat we hadden uitgeleend.''

Ik liet met bloedend hart Hiddink in zijn dug-out achter en begon te bellen. Veel hoop had ik niet, want mijn ervaring met de Spoorwegen is dat een verloren voorwerp nooit meer een gevonden voorwerp wordt. Op de afdeling Gevonden Voorwerpen in Utrecht moet een functionaris werken die zijn huis tot de nok heeft gevuld met paraplu's, aktetassen en regenjassen – een bizarre verzamelaar met fetisjistische trekjes.

,,Ik heb mijn tas vergeten'', riep ik tegen een NS-juffrouw die ik eindelijk aan de lijn kreeg.

Ze reageerde met een eigenaardige ijzigheid. ,,Hoe bedoelt u?''

,,Nou, zoals ik het zeg. Mijn tas laten liggen. In de trein.''

,,Waar?''

,,Op het station in Utrecht.''

,,En wat zat erin?''

,,Een vlaai.''

,,Een wát?''

,,Een vlaai. Een Limburgse vlaai.''

Ze liet een stilte vallen. Toen zei ze met een stem als een cirkelzaag – zo een die mijn achterbuurman op zonnige zondagochtenden gebruikt: ,,Dit is niet het moment om ongepaste grappen te maken, meneer.''

,,Er zat ook nog een column bij'', zei ik snel.

,,Een bom, zegt u? Meneer, ik denk dat ik uw nummer ga doorgeven aan de politie.'' En ze hing op.

Ik haalde mijn schouders op en lichtte mijn vrouw in. ,,Hoe moet dat nou met je column?'' vroeg ze nog.

,,Ik begin gewoon een dag later'', zei ik. ,,De lezer gunt me dat dagje wel.'''

    • Frits Abrahams