Sahel en Sahara als front tegen terreur

Een half miljard dollar besteden de Amerikanen de komende vijf jaar aan terreurbestrijding in de Sahara. De regeringen profiteren, de bevolking blijft wantrouwig.

De Sahara is voor velen een ruige, oeroude leegte, een open ruimte die al bij ontdekkingsreizigers vrees opriep en nu ook de Amerikaanse regering angst inboezemt.

De spaarzame bewoners van de grenzeloze zandvlaktes koesteren een ander beeld. Zij herkennen de voetstappen van mens en dier en weten precies wie zich waar ophoudt. Zij kennen het terrein op hun duimpje. De Amerikanen hebben de woestijn tot een nieuw front tegen internationaal terrorisme uitgeroepen. Maar de bewoners klagen over Amerikaanse soldaten die samen met regeringsgroepen smokkel bestrijden en daarmee de laatst mogelijke economische activiteit ondermijnen.

Het Amerikaanse leger rondde begin deze maand een grote militaire oefening af in de Sahara en de aangrenzende Sahel, de grootste Amerikaanse militaire exercitie in Afrika sinds de Tweede Wereldoorlog. Onder de naam Flintlock 2005 trainden Amerikanen soldaten uit Mali, Mauretanië, Niger, Tsjaad, Senegal, Algerije, Tunesië, Marokko en Nigeria. Ze leerden ze hoe ze terroristen moeten achtervolgen in een gebied waar grenscontroles ontbreken.

Na de aanslagen in september 2001 riepen de Amerikanen twee gebieden in Afrika uit tot mogelijke uitwijkplaatsen voor internationale terroristen: de Hoorn van Afrika en de Sahara/Sahel. Twee jaar geleden lanceerden ze het Pan Sahel Initiative, scholing in terreurbestrijding voor militairen uit vier Sahellanden. Opvolger is het Trans Saharan Counterterrorism Initiative dat dit jaar juni met operatie Flintlock 2005 van start is gegaan. Een programma waarvoor de komende vijf jaar een half miljard dollar beschikbaar is, dat negen landen omvat en ook voorziet in sociaal-economische steun.

Sinds de eerste militaire samenwerking tussen de VS en de Sahellanden kwam het tot enkele veldslagen met de extremistische Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC), afkomstig uit Algerije maar actief in de hele regio, en tot de vangst van een belangrijke GSPC-leider.

De GSPC, die contacten met Al-Qaeda onderhoudt, ontvoerde twee jaar geleden in Zuid-Algerije 32 toeristen en liet hen tegen betaling van vermoedelijk vijf miljoen dollar losgeld vrij. Begin juni dit jaar viel de groep volgens de toenmalige regering van Mauretanië een afgelegen legerbasis aan en doodde vijftien Mauretaanse soldaten. Deze aanval kwam één dag voor het begin van operatie Flintlock 2005. De Amerikanen gebruiken de aanslag als bewijs dat ze op het juiste spoor zijn in de Sahara. Washington vermoedt dat terroristen geld en materieel vervoeren via de eeuwenoude karavaanroutes. Algerije zei eerder een konvooi met mortiergranaten, afweergeschut en luchtdoelraketten te hebben onderschept op weg van Zuid-Algerije naar Mali.

Volgens critici volgen de Amerikanen een vals spoor. Jeremy Keenan, Brits auteur en Saharakenner: ,,Vrijwel iedereen in de Sahara weet dat de GSPC niet verantwoordelijk is'', zegt hij over de aanslag in Mauretanië. Volgens Keenan maken impopulaire regimes in de regio, zoals die van Algerije en Mauretanië, gebruik van de internationale strijd tegen terrorisme om Amerikaanse militaire hulp aan te trekken. De corrupte regering van Mauretanië werd eerder deze maand onder gejuich van de bevolking bij een staatsgreep omvergeworpen.

Wantrouwige waarnemers zien in Flintlock 2005 een samenzwering. Onder het voorwendsel terroristen te bestrijden zou Washington vooral geïnteresseerd zijn in de grondstoffen van West-Afrika. De Verenigde Staten betrekken een steeds groter deel van hun olie uit West-Afrika.

Iedere blanke wordt in de Sahara met wantrouwen bejegend, zo leert de geschiedenis. Menige ontdekkingsreiziger werd er vermoord door vijandige Moren of Tamasheqs. In Mali weigeren sommige bewoners voet te zetten op asfaltwegen die zijn betaald met Westers donorgeld. Na de aanslagen in Washington en New York in 2001 plakten inwoners van de Malinese hoofdstad Bamako stickers van Bin Laden op hun brommers. De komst van de Amerikanen voor operatie Flintlock 2005 viel al even slecht. De grotendeel islamitische bevolking verafschuwt het Amerikaanse beleid tegen `onderdrukte geloofsgenoten' in het Midden-Oosten.

De Sahara en Sahel kennen van oudsher een tolerante en vreedzame islam, een mix van Afrikaanse, Arabische en islamitische tradities. Amerika vreest de activiteiten die sinds enkele tientallen jaren worden ontplooid door islamitische missionarissen en hulporganisaties uit Pakistan en het Midden-Oosten, vooral afkomstig van de wahabitische en Jama't al-Tabligh sektes en de salafiya-beweging. Hun boodschap van terugkeer naar de zuivere leer vindt steeds meer gehoor in de Sahel en Sahara.

Deze groepen zijn fundamentalistisch maar niet noodzakelijk gewelddadig. ,,We zijn fundamentalisten maar geen terroristen'', zegt een wahabiet in het Noord-Malinese Kidal. De Algerijnse GSPC daarentegen is een salafiya-beweging die wel degelijk terreur gebruikt.

In Kidal is smokkel de belangrijkste bron van inkomsten. De twee rampzalige droogtes in de jaren zeventig en tachtig – `de jaren van de kleine kopjes meel' – maakten een einde aan het traditionele bestaan van tienduizenden nomadische Tamasheqs. In een omgeving van schaarste zoeken jonge Tamasheqs naar manieren om te overleven. Daarbij gebruiken ze de overvloed aan wapens die opstanden in de jaren zestig en negentig hebben achtergelaten. De smokkel van mensen, drugs en sigaretten naar Europa bracht hen uitkomst. De door de Amerikanen ingegeven militaire acties tegen smokkelaars maken aan hun nering een einde.