In iemands hoofd kijken

Dat je nooit weet wat er in iemands hoofd omgaat is een van de belangrijkste bronnen van nieuwsgierigheid en van een gevoel van onvolmaaktheid. Altijd opgesloten te zitten in dit ene hoofd, overgeleverd te zijn aan de gedachten die daar geproduceerd kunnen worden en moeten speculeren over wat er in andere hoofden omgaat. Niet dat je daar niets van merkt, andere mensen hebben gelukkig ook wel de gewoonte om zich kenbaar te maken. Maar ze reageren soms totaal anders dan je zelf zou doen, houden er overtuigingen op na waarvan je dacht dat die evident onaantrekkelijk waren, hebben kennis van dingen waar jij niets van weet, verrassen met hun manier van zeggen, doen, zijn.

Soms zou ik niets liever willen dan even in iemand anders hoofd kunnen, door zijn of haar ogen naar de wereld kijken, zijn of haar gevoelens van binnen uit hebben – maar met behoud van het eigen bewustzijn. Anders heb je er niets aan en kan alles net zo goed blijven als het is.

Er is natuurlijk een manier om dat voor elkaar te krijgen, het bewonen van andermans hoofd met behoud van het eigen bewustzijn. Lezen. In welk hoofd je precies verzeild raakt weet je niet, want je bent allereerst terechtgekomen in een stijl, een manier van de wereld beschrijven die door de schrijver gekozen is om wat hij wil laten zien tot zijn recht te laten komen. De personages zijn ook door hem of haar gemaakt en geven dus in feite geen inzicht in zichzelf, maar in een zelf zoals de schrijver dat verbeeld heeft. Desalniettemin kunnen romans je het gevoel geven iets van dichtbij gezien te hebben, begrepen te hebben soms.

Ik las onlangs zo'n roman die iets liet zien wat ik niet begreep. Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Wat een roman! In een schitterende, consequent volgehouden stijl, met afstand en sympathie laat Siebelink daar iemand zien die tot een zo verschrikkelijk geloof komt dat je hem bijna godsdienstwaanzinnig zou willen noemen. Zoon van een vader die gevoelig is geraakt voor de predikingen van de navolgers van de zestiende-eeuwse dominee Poort, wil Siebelinks hoofdpersoon aanvankelijk niets van al dat steile gepredik weten. Maar allengs raakt hij er toch gevoelig voor en begint hij te geloven dat de mens zeer zondig is, dat slechts enkelen zijn uitverkoren, dat de rest zal branden in de hel, dat God als het ware voortdurend op ons loert om ons te kunnen bestraffen. Geregeld wordt hij bezocht door geloofsgenoten, de een al onappetijtelijker en miezeriger dan de ander, die allemaal steeds weer de zondigheid en de nietigheid van de mens benadrukken. Wij zijn niets, Hij, het aanbiddelijk Opperwezen, is alles.

Het is een rampzalig soort geloof, waarin bovendien de nodige onlogica zit, maar je begrijpt na een poosje dat het geen zin heeft de gelovige daarop te wijzen. Die is niet geïnteresseerd in of wat hij gelooft geheel logisch is of niet, of het leuk of sympathiek is voor de mensen om hem heen of niet. Zulke dingen doen er niet toe. Het gaat om de Waarheid. Daarvoor moet alles wijken.

Siebelink heeft deze zeer zware en ellendige stof tot een prachtig licht boek weten te maken, waarin de liefde, de echte, de langjarige een aangrijpende hoofdrol vervult. En het bijzondere is dat je het gevoel hebt dat je, hoewel dit geloof onbegrijpelijk en vreselijk is, toch enigszins kunt zien waarom deze man niet meer anders kan handelen dan hij doet, waarom hij gevangen is.

Geloof kan iets verschrikkelijks zijn. Men zou zichzelf moeten verbieden om in een of ander heil te geloven. Fatsoen, solidariteit, aardigheid, zulke gewone onspectaculaire dingen brengen ons heel wat verder dan een aan de horizon gloeiend heil waar we slechts heen hoeven te marcheren, hetzij ná hetzij tijdens dit leven.

Zag laatst nog weer eens op televisie een stukje van de Zweedse film Together, die zich afspeelt in een commune in de jaren zeventig, compleet met het geloof in een betere wereld die tot stand zal komen door marxisme, het eten van tofoe, vrije seks en het verbieden van speelgoedpistooltjes. Het is om te lachen en te huilen tegelijk, hoezeer mensen elkaar in de tang kunnen hebben met ideeën die het goede en het ware moeten vertegenwoordigen. Persoonlijke vrijheid en verbetering van de wereld gaan niet gemakkelijk samen, dat spreekt vanzelf, maar het is toch altijd weer schokkend om te zien.

En natuurlijk denk je ook als je zo'n boek van Siebelink leest aan de tegenwoordige godsdienstwaanzinnigen, van de bloeddorstige volgers van rabbi Kahane tot de paradijszoekers met de rugzakken vol bommen. Onbegrijpelijke mensen die dingen in het hoofd hebben die strijdig zijn met alles waar bijna alle andere mensen in geloven. Vrede en tolerantie zijn volkomen zinloze begrippen voor iemand die nu eenmaal gelooft dat er een heil is te verwerven, het heil komt namelijk nooit van vrede en tolerantie, maar altijd van strijd en strengheid.

En het ergste is nog dat mensen altijd zo goed weten hoe het heil precies bereikt kan worden. In Siebelinks boek mag de hoofdpersoon als hij stervende is geen enkel contact meer hebben met zijn familie, tot groot verdriet van zijn vrouw: ,,Als op het moment van de overgang een onbekeerde tot hem sprak, zou hij eeuwig verloren gaan.'' We weten niets over het goddelijk bestuur, maar zo'n detail is dan blijkbaar weer wél bekend. Maar zoals gezegd, met logica hoef je hier niet aan te komen. Het gaat hier om de keuze tussen de hel of de hemel. Daarbij verbleekt alles.

Siebelink praat niets hiervan goed in zijn roman, maar zijn boek laat je iets zien, iets begrijpen van wat het is om zo te denken. En alles begrijpen is helemaal niet alles vergeven. Je ziet hoe makkelijk iemand bang te maken is met ongrijpbare dingen, júíst met ongrijpbare dingen, hoe sterk een geloof kan zijn, hoe keihard het kan zijn voor alles en iedereen dat er niet in past. En hoe iemand verscheurd wordt die zo'n geloof heeft en die tegelijkertijd bezield is door die andere kracht, de liefde, een kracht die juist wél vergeeft, meevoelt, zwicht.

Ach, misschien wisten we dit allemaal ook wel allang. Maar dan nog niet zó, zoals het nu door Siebelink beschreven is. Weer een leven erbij.