Biobrandstof kan milieu sterk schaden

Het lijkt zo mooi, biologische brandschof uit koolzaad, palmolie en soja. Maar grote plantages voor deze produkten kunnen enorme schade berokkenen aan het milieu. Schep liever regionale markten hiervoor dan wereldwijde handel, bepleiten Sylvia Borren, Frank Köhler en Sjef Langeveld.

Het kabinet-Balkenende heeft het er moeilijk mee: het moet alle zeilen bijzetten om de internationale eisen voor de vermindering van klimaatverandering en luchtvervuiling te halen. In toenemende mate kijkt het kabinet daarbij naar de mogelijkheden die biomassa biedt als brandstof in de transport- en elektriciteitssector. Naast Europese gewassen zoals koolzaad staan ook producten als palmolie en soja in de belangstelling. De prettige prijsstelling, de exportambities van producenten en reeds bestaande handelsbetrekkingen voor de import van deze producten voor de voedings-, zeep- en diervoederindustrie maken soja en palmolie tot een aantrekkelijke biobrandstof.

Wij onderschrijven de noodzaak om zo snel mogelijk tot een milieuvriendelijkere energievoorziening te komen en te voldoen aan de doelstellingen zoals in het klimaatverdrag en door de Nederlandse overheid vastgelegd. Biobrandstoffen kunnen hierbij een beperkte rol spelen, maar als niet de juiste voorwaarden in acht worden genomen, zullen de nadelen van deze omschakeling groter zijn dan de voordelen.

Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een grootschalige omschakeling naar biobrandstoffen wegens concurrentie met voedselproductie, drinkwatervoorziening en aantasting van de biodiversiteit geen duurzame optie.

Zo leidt het verbouwen van oliepalmen en soja (in Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika) vaak tot onherstelbare schade aan kwetsbare ecosystemen, zoals tropische regenwouden en savannen. De grote plantages voor soja en oliepalmen botsen vaak met de landrechten van de lokale bevolking. En er wordt kwistig met kunstmest en pesticiden gestrooid, met alle gevolgen van dien voor werknemers en milieu. De arbeidsomstandigheden zijn vaak ver beneden de standaarden van de ILO, de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties, en op Braziliaanse sojaplantages werken zelfs slaven.

Nederland moet daarom in zijn beleid voor biobrandstoffen verankeren dat alleen biobrandstoffen van duurzame herkomst worden gebruikt. Anders ruilen we slechts het ene probleem in tegen het andere, dat minstens zo nijpend is.

De Nederlandse import van palmolie uit Indonesië steeg de afgelopen negen jaar met 100 procent naar 515.700 ton, en die uit Maleisië zelfs met 788 procent naar 670.700 ton. Deze import neemt verder toe bij grootschalige inzet van oliepalmproducten als biomassa. Het Nederlandse bedrijfsleven is al volop bezig om palmolie bij te stoken in gas- en kolencentrales (Geertruidenberg, Maasbracht en Zwolle). Het meest recente voorbeeld is de Nijmeegse kolencentrale van Electrabel, waarvan onlangs bekend werd dat de ministeries van VROM en EZ subsidies verlenen voor het bijstoken van palmolie. Verder worden er energiecentrales gebouwd die draaien op palmoliederivaten (onder meer in Groningen en Vlissingen) en wordt een palmoliebiodieselfabriek ontwikkeld (Zwijndrecht).

Om aan de vraag naar biobrandstof te voldoen, kondigde de Indonesische overheid in juli 2005 aan de grootste oliepalmplantage ter wereld op te zetten. Dit moet gebeuren op Kalimantan (Borneo), dat met West-Papoea (en in mindere mate Sumatra) het enige gebied in Indonesië is waar nog tropisch regenwoud van betekenis staat.

Ook de sojaproductie neemt flink toe, vooral in Brazilië, Argentinië, Bolivia en Paraguay. Als we op dezelfde voet doorgaan, verdubbelt de wereldwijde sojaproductie tussen 1996 en 2020. Een groter percentage sojabiobrandstoffen leidt tot verdere uitbreiding van het soja-areaal ten koste van regenwoud en savannen.

Naast de negatieve gevolgen voor de biodiversiteit concurreert de productie voor export van biomassa met de lokale voedselvoorziening. Met de biomassa verdwijnen namelijk ook voedingsstoffen uit het productieland en wordt de lokale nutriëntenbalans verstoord. Op termijn resteert slechts een totaal uitgeputte bodem.

Regionalisering van markten voor biobrandstoffen verdient de voorkeur boven het creëren van nieuwe intercontinentale exportmarkten. Plantaardig restafval of regionaal geproduceerde biomassa kan beter worden ingezet ter vervanging van fossiele brandstoffen dan biomassa die ver weg geproduceerd is.

In hoeverre biobrandstoffen de panacee zijn waarvoor ze recent door velen worden gehouden, is dan ook nog maar de vraag. Daar komt bij dat in de verkeerssector nog heel veel mogelijk is om klimaatverandering en luchtvervuiling, zonder negatieve bijeffecten, te lijf te gaan, zoals verhoging van de dieselaccijnzen of verlaging van de maximumsnelheid op stadssnelwegen. Ook op energiegebied zijn veel besparingen nodig en hier loopt Nederland achter met investeringen in schone energie uit wind, water of zon.

Voorzover daarnaast gebruik wordt gemaakt van biobrandstoffen, dient het kabinet wettelijke kaders te scheppen. Deze kaders moeten zeker stellen dat in Nederland geen palmolie en soja als biobrandstoffen worden gebruikt, tenzij aantoonbaar:

geen sprake is van directe of indirecte concurrentie met de voedselvoorziening in het land en de regio van herkomst,

geen sprake is van negatieve gevolgen voor de natuurlijke nutriëntenbalans

geen conflicten over landrechten bestaan met de lokale bevolking over plantages

geen sprake is geweest van vernietiging van tropisch regenwoud of andere bijzondere ecosystemen voor plantages

niet ondeskundig en onnodig gebruik is gemaakt van kunstmest of pesticiden.

Rücksichtslos stimuleren van de palmolie- en soja-exporteconomieën vergroot de onherstelbare schade die ze vaak aanrichten. Het mag niet zo zijn dat aan de andere kant van de wereld regenwoud wordt gekapt, zodat wij onze Kyoto-doelstellingen kunnen halen en in onze biodieselauto's door kunnen blijven rijden. Daarom moet het kabinet deze kans grijpen om er met goed beleid voor te zorgen dat biomassa niet ten koste gaat van biodiversiteit.

Sylvia Borren is algemeen directeur Novib. Frank Köhler is algemene directeur Milieudefensie. Sjef Langeveld is directeur Both Ends.

    • Sylvia Borren
    • Frank Köhler
    • Sjef Langeveld