Oerwezens, halfmensen en cultuurhelden

Jelle Miedema verzamelde `oorsprongsverhalen' op De Vogelkop, Nieuw Guinea. In de mythologie van bevolkingsgroepen herkent hij sporen van de geschiedenis van het gebied.

`WAAR KOMEN de eerste mensen vandaan? Dat is een probleem dat in de mythologie op de een of andere manier moet worden opgelost'', zegt antropoloog Jelle Miedema. Het probleem is dat er één oorsprong zou moeten zijn, terwijl je toch weet dat een wezen altijd uit twee eerdere wezens wordt geboren. In de mythen van de Vogelkop van Nieuw-Guinea, Miedema's specialisatie, zijn er nogal wat bizarre verwikkelingen voor nodig om de eerste mens te laten ontstaan. ``Er is in die verhalen vaak sprake van voormenselijke figuren die op een bijzondere manier bevrucht worden. Dat ligt nog heel dicht tegen de natuur aan. Bijvoorbeeld: een heel vaag voormenselijk echtpaar heeft gevreeën in het bos, er is sperma achtergebleven. Dan komt de kasuaris, een soort struisvogel, en die likt dat op. Die kasuaris wordt dan de eerste moeder.''

Zo zijn er allerlei bizarre varianten: een `vrouw' die een vrucht eet en daarvan zwanger wordt, een `man' die slangenvet te eten krijgt, zwanger wordt en via de balzak bevalt. ``Kunst- en vliegwerk'', zegt Miedema. ``Niet dat je zegt: dat hebben ze nou netjes uitgewerkt. Maar goed, als de eerste mensen er eenmaal zijn, dan wordt het wat gemakkelijker. Dan moet er verklaard worden hoe de mens de stap van natuur naar cultuur heeft gemaakt, hoe de beschaving is ontstaan.''

twintig talen

Miedema, tot voor kort werkzaam bij de Leidse universiteit en inmiddels met pensioen, vergeleek 325 `oorsprongsverhalen', die tussen 1940 en 2000 werden opgetekend in allerlei dorpen en gehuchten in De Vogelkop, het noordwestelijke schiereiland van Nieuw-Guinea. In dit gebied, ongeveer zo groot als Nederland, worden twintig talen gesproken en ook de mythologie varieert er sterk, van streek tot streek. ``In ieder taalgebied vind je weer andere helden met andere namen die andere dingen meemaken. Je voelt dat er overeenkomsten zijn, maar het is heel moeilijk om daar greep op te krijgen.''

Halverwege de jaren negentig was Miedema op weg naar Nieuw-Guinea, om opnieuw verhalen op te tekenen. Hij bleef onverwacht steken in Jakarta. De politieke situatie in wat toen Irian Jaya heette (en tegenwoordig Papua) was erg spannend en Miedema kreeg geen doorreisvisum. In zijn hotelkamer in Jakarta doodde hij de tijd door al het materiaal dat hij tot dan toe had verzameld, over de vloer uit te spreiden. ``Die vloer lag helemaal vol en ineens had ik een soort kick: ja, dat is het. Ik begon aantekeningen te maken en stukje bij beetje kon ik die legpuzzel eindelijk leggen.''

Opeens zag hij hoe hij de verhalen moest vergelijken: ``In alle teksten duikt vroeg of laat wel een cultuurheld op, of iets wat daarop lijkt, een figuur die boven de anderen uitstijgt en die een belangrijke rol wordt toegedicht: hij brengt de mensheid op een hoger plan en legt de regels van de beschaving vast. Als je die cultuurheld als uitgangspunt neemt en vervolgens kijkt naar de generaties eronder, generaties tussen aanhalingstekens, dan valt alles op zijn plaats.''

De cultuurheld wordt altijd voorafgegaan door een `generatie' van mensen of halfmensen die de stap van natuur naar cultuur ook al proberen te maken, maar daar niet in slagen. En zij worden weer voorafgegaan door een `generatie' van oerwezens.

Het allereerste wezen, dat in alle verhalen opduikt, is volgens Miedema ``een soort niet-menselijke kwaadaardige oermoeder''. Zij belichaamt het kwaad en in veel verhalen is zij ook de eigenares van de grond. Daarnaast wordt zij vaak gezien als de `moeder' van ratten, kleine slangen en andere onaangename en afwijkende dieren. Het verhaal wil dat de oermoeder ooit dood is geweest en dat haar bloed toen door die dieren werd gedronken. Zo is het kwaad – ziekte, dood en verderf – in de wereld gekomen.

De oermoeder werkt altijd samen met een waterdemon, die in sommige verhalen haar echtgenoot is, in andere haar zoon. Deze treedt straffend op namens haar. De waterdemon is het stilstaande water, dat opeens de gedaante van een dodelijke overstroming kan aannemen.

uitschieters

Dan is er de volgende generatie, die half mens, half dier is: mensachtige wezens met een enorme penis of `mensen' die nog niet `af' zijn: ze hebben nog geen lichaamsopeningen, geen gezicht. ``Maar je treft daar ook uitschieters naar boven aan. Zoals een halfheld die al probeert de mensen regels bij te brengen. Die de promiscuïteit probeert uit te bannen, en regels opstelt voor het trouwen en het betalen van bruidschat. Maar het lukt niet, men houdt zich daar niet aan, de oermoeder is toch te machtig.''

Uit deze generatie wordt, vaak op een bijzondere manier, de cultuurheld geboren. Miedema geeft een voorbeeld uit het midden van de Vogelkop, een verhaal dat draait om een broer en zus. ``De broer heeft een enorme penis waar hij alle andere vrouwen mee penetreert en doodt. Als hij ten slotte ook zijn zus benadert, hakt zij de penis in stukken en gooit de stukken weg. Daarmee wordt haar broer een normale man. Broer en zus trouwen met elkaar, en uit die twee wordt dan de cultuurheld geboren, die probeert definitief af te rekenen met het primitieve leven.'' In sommige verhalen neemt de cultuurheld het ook rechtstreeks op tegen de kwaadaardige oermoeder. En altijd, in alle verhalen, komt er een moment dat de cultuurheld weer van het toneel verdwijnt en de bijzondere kennis waarover hij beschikt, meeneemt.

De lotgevallen van de cultuurheld lopen verder sterk uiteen. Miedema ziet soms een verband met de geschiedenis van de betreffende groep, met de `etnogeschiedenis' dus.

slaven

``Het verschil dat er het meest uitspringt, is de manier waarop hij verdwijnt. Meestal wordt verteld dat hij naar het westen is vertrokken. Ooit zal hij terugkomen `en dan worden wij rijk'. En waarom naar het westen? Omdat de handel daar altijd vandaan kwam: eerst was er de slavenhandel met de Molukken en het eiland Salawati, daarna de komst van de blanken. De blanken werden soms gezien als nakomelingen van de cultuurheld die was vertrokken. De mythen verklaarden waarom de blanken zo'n grote voorsprong hadden: zij hadden de kennis gekregen van de cultuurheld.''

Maar aan de noordelijke kust wordt verteld dat de cultuurheld `naar boven' verdween. ``Daar wordt het beeld van een helikopter bijgehaald. De held klimt in een palmboom, de bladeren van die boom beginnen rond te draaien, als de wieken van een helikopter, en de cultuurheld stijgt op en verdwijnt, de hemel in. Niet geheel toevallig is de streek waar het verhaal zo verteld wordt, ook het gebied dat het eerst te maken kreeg met het christendom. De cultuurheld wordt daar vaak vereenzelvigd met Jezus.''

Aan de oostkust vertrekt de held niet naar elders, maar verandert hij in een kasuaris, een struisvogel dus, of eigenlijk in een steen die de vorm heeft van een kasuaris. ``Hij valt terug in een voormenselijke toestand. Aan de oostkust heeft men veel te lijden gehad van vijandige overvallen vanuit zee, en die geschiedenis verklaart misschien waarom de cultuurheld in die verhalen uiteindelijk het onderspit delft.''

De duidelijkste afwijking van het held-verdwijnt-naar-het-westen-motief doet zich voor aan de zuidwestkust. Daar komt de cultuurheld juist uit het westen. Hij beschikt over bijzondere kennis en vestigt de `wuon', het initiatie-ritueel voor jongens. Volgens Miedema is de relatie met de geschiedenis evident. Vanuit de zuidwestkust werd eeuwenlang handel gedreven met de eilanden ten westen van de Vogelkop, met name Salawati, waar de geweven doeken vandaan komen, die traditioneel het belangrijkste importproduct waren. In ruil voor die begeerde doeken leverden de kustbewoners slaven, die ze uit het binnenland haalden.

In hoeverre worden al die oude verhalen nog serieus genomen? ``Aan de kust is het voor een deel folklore'', zegt Miedema. ``Men is daar allemaal christen, nou ja, totdat de eerste kleinzoon terugkomt van zijn eerste reis overzee, want dan volgt er opeens een uitgebreid initiatie-ritueel.'' Vaak is er sprake van syncretisme: de oorspronkelijke geloofsvoorstellingen worden vermengd met die van het christendom, maar ook kunnen de oude verhalen gewoon naast de nieuwe overtuigingen blijven bestaan.

``Al die verhalen van vroeger worden nog steeds met smaak doorgegeven'', vertelt Miedema. ``Het is voor een deel ook entertainment. Er zit veel humor in, er valt veel te lachen.'' Als Miedema verhalen wilde horen, werd er meestal een bijeenkomst georganiseerd door de oudste man. ``Eén man vertelde dan, de anderen vulden aan en de vrouwen stonden vaak in de deuropening mee te luisteren, en vulden soms ook aan. Niet iedereen mocht de verhalen vertellen en je mocht het ook niet halverwege afbreken en zeggen: we gaan morgen verder. En bepaalde onderdelen moesten gezongen worden. Bijvoorbeeld: de cultuurheld vertrekt en voordat hij vertrekt laat hij instructies achter: ik deed altijd dit, ik at nooit dat, etc. Op zo'n moment gaat het verhaal over in een soort lied.''

Miedema woonde vijf jaar in de Vogelkop, eind jaren zeventig, hij werkte er als antropoloog in dienst van de kerken. Hij moest, zoals hij het formuleert, ``het proces van confrontatie tussen christendom en inheemse geloofsvoorstellingen'' in kaart brengen en was daarnaast betrokken bij praktische werkzaamheden: radiozenders installeren, landingsbanen aanleggen, vluchten tussen kust en binnenland coördineren. ``Als daar een conflict over ontstond, moest ik erheen.''

lachen

Hij omschrijft het als een fantastische tijd. ``Je overnachtte dan hier, dan daar. En overal werd veel gepraat. De mensen daar hebben ongelofelijk veel humor. Toen ik wat meer bekend raakte met hun verhalen, kon ik er ook een gesprek over beginnen. Bijvoorbeeld, ze zitten midden in een verhaal en zeggen: en toen maakten ze regen. Dan weet ik al lang hoe dat gaat. Nou, vertel eens, hoe deden ze dat? Nou, dan hak je even een slang doormidden. Goed, zei ik dan, nu moet je er wel bij zeggen dat ze daar een `kleine slang' voor moesten pakken. Dan lachen ze. Hoe weet jij dat? En dan had je contact en kregen ze er aardigheid in om je andere dingen te vertellen. Want niet alle slangen waren kwaadaardig. Alleen de kleine slangen zijn kinderen van de kwaadaardige oermoeder.''

Scheppingsverhalen, over hoe het universum is ontstaan, treft men niet aan in de Vogelkop. De natuur is een tijdloos gegeven, net als de kwaadaardige oermoeder, die volgens Miedema oorsprong, natuur en chaos symboliseert. De cultuurheld, die haar tegenpool is, zou staan voor: vernieuwing, cultuur en orde. Hoewel de cultuurheld geboren wordt, avonturen beleeft en daarna weer vertrekt, is de mythologie van de Vogelkop volgens Miedema niet lineair maar cyclisch: de oermoeder is altijd aanwezig en de menselijke figuren, waaronder de cultuurheld, kunnen in principe altijd weer terugvallen naar de voormenselijke toestand. Daarom verandert de cultuurheld van de oostkust uiteindelijk in een kasuaris: die vogel symboliseert de natuur en het voormenselijke.

hekserij

De kasuaris is een ambigu symbool: hij symboliseert de natuur, maar hij staat ook bijna altijd aan de kant van de mens. De enige uitzondering hierop is – opnieuw – in het zuidwesten te vinden: in de vrouw-onvriendelijke cultuur van de `wuon' wordt de vogel sterk geassocieerd met de kwaadaardige oermoeder en met hekserij. Miedema: ``Net als de slang is hij een afwijkend dier: een vogel die niet kan vliegen. Hij zou dus ook gerekend moeten worden tot de kinderen van de kwaadaardige oermoeder. Maar nee, hij staat bijna overal aan de kant van de mensen.''

Miedema heeft deze vogel slechts één keer met eigen ogen gezien. ``Ik was ooit betrokken bij de aanleg van een vliegveldje. Het terrein moest worden opgemeten en opeens werd er geschreeuwd. Ergens in de verte stond een kasuaris. Dat was nog nooit voorgekomen, dat een kasuaris zich daar in het open veld waagde. En hij liep ook niet weg. Het hele dorp stroomde uit, jong en oud, mannen en vrouwen. Het beest werd omsingeld, de kring werd steeds kleiner, en vervolgens werd er met stokken op hem ingehakt.”

's Avonds werd de kasuaris gebraden en opgegeten. ``Het feit hij zich aan hen had vertoond, zich eigenlijk min of meer had aangeboden, dat zag men als een heel gunstig voorteken.''

Jelle Miedema en Ger Reesink – One head, many faces. New perspectives on the Bird's Head Peninsula of New Guinea. KITLV Press, Leiden. 220 pag. 30 euro.