Back to the future

Naar aanleiding van de interessante artikelenserie `Hoe verder in de ruimte' (W&O 13 aug.) kunnen een paar kanttekeningen geplaatst worden.

In de jaren zestig werd door NASA en de Russen met een geweldige persoonlijke betrokkenheid en enthousiasme aan Ruimtevaart gewerkt. Dat enthousiasme verdween bij NASA langzaam met de komst van de Shuttle. Daarvoor waren vele oorzaken: de eerste keus was niet erg goed overdacht; na het Apollo-tijdperk moest er een opvolger komen. Het eerste Shuttleconcept (twee ruimtevliegtuigen op elkaar die allebei veilig konden landen) was veel te duur en werd vervangen door het concept dat we nu kennen. De Shuttle zou iedere twee weken een vlucht maken. Achteraf bezien een onzinnige gedachte maar het Amerikaanse congres slikte het. De Shuttle was van onschatbare militaire waarde. Ook dit bleek niet zo te zijn. De Russen, die aan de Buran zijn begonnen, zijn daar snel mee gestopt. Zulke ervaringen zijn dodelijk voor de pioniersgeest. NASA kreeg steeds meer `professionele' managers en het managen werd de doodsteek voor NASA. Gezien de mij bekende wijze van werken lijkt het waarschijnlijk dat er aan het piepschuim op de cryogene tank heel erg veel is gemanaged maar weinig creatief ingenieurswerk is verricht. Met anderhalf miljard dollar en twee en een half jaar tijd is dit probleem echt wel op te lossen door een paar goede technici.

In Europa bestond een soortgelijke pioniersgeest bij de ontwikkeling van de Ariane 1-4. Europa wilde een onafhankelijke lanceercapaciteit hebben en het enthousiasme van allen die aan deze eerste Ariane's hebben was geweldig. Helaas ontkwam CNES (de Franse ruimtevaart organisatie) ook niet aan de managersziekte wat zich vertaalde in een nogal ongelukkig ontwerp voor Ariane 5. Vanuit ESA is hier nog kundige kritiek op geleverd maar die werd (helaas) als niet ter zake dienende terzijde geschoven.

Zelf heb ik ESA ook langzaam maar zeker steeds sterker zien veranderen in een organisatie waar steeds meer ruimte voor managers, en steeds minder ruimte voor nieuwe verfrissende ideeën kwam. Het is een natuurlijk proces: het volwassen worden van de ruimtevaart.

Het probleem met het ISS is dat er in feite weinig behoefte bestaat (ik zeg niet geen) aan een Ruimtestation. De Amerikanen zagen het in eerste instantie weer als een militaire noodzaak, maar daarvan horen we, nu het vanwege de kosten geïnternationaliseerd is, niet veel meer. Natuurlijk kan men aan boord interessante experimenten doen (voornamelijk m.b.t. gewichtsloosheid), maar tot de verbeelding van het grote publiek spreekt dit niet meer.

De jeugd in Nederland zou natuurlijk best enthousiast kunnen worden gemaakt voor de wetenschappelijke kant van de ruimtevaart. Helaas gebeurt dat niet. Onze regering is ook niet bereid veel geld in Ruimtevaart te stoppen. Terwijl Zweden een groot aantal eigen satellieten heeft gebouwd en nog steeds bouwt, laat lanceren en opereert, heeft Nederland het na ANS en IRAS maar snel opgegeven. Ook de Nederlandse bijdrage aan ESA is schandalig laag. En wie weinig inbrengt heeft ook weinig invloed: België draagt twee maal zoweel aan ESA bij als Nederland!

In zoverre heeft het artikel het goed gezien: Rondjes draaien om de Aarde interesseert niemand. Columbus zal waarschijnlijk nooit gelanceerd worden. Het Amerikaanse hemd is immers nader dan de Europese rok. En rechtszaken zal ESA zeker niet (met succes) tegen de VS voeren. Ook de ten dode opgeschreven Hubble is immers een gezamenlijk NASA/ESA project!

    • H.F.R. Schöyer
    • Voormalig Hoofd Voortstuwing Estec Zoetermeer