Schelpen van ivoor

Een museum in de Dordogne heeft een van de grootste prehistorie-collecties ter wereld. Logisch, want in het gebied wemelt het van de prehistorische grotten.

Een Frans bos. Er loopt een Nederlands kind in. Ze vangt vaak torren en redt sprinkhanen uit het zwembad. Nu vindt ze een stuk schelp. Een schelp in het bos? Het is een schelp van steen, het oppervlak wat brokkelig maar de lijnen nog scherp, als een plissérokje. Zeven jaar vindt zeven miljoen jaar, een klein handje trekt de geschiedenis omhoog. De schelp is nauwelijks verplaatst in zijn lange bestaan. De zee wel.

Een Frans dorp. In de winkeltjes voor toeristen liggen er honderden. Fossielen van hele schelpen, van varens, van insecten. Zeldzaam zijn ze dus niet, kostbaar evenmin. Ze zijn alleen maar oud. In dezelfde winkels zijn ook dingen te koop die geen miljoenen maar duizenden jaren oud zijn of lijken. In deze negotie kijkt men niet op een millennium. Alles hier is prehistorisch, of het nu echt is of nep, van de fossielen tot de vuistbijlen tot de Neanderthalertjes van plastic en de mammoeten van pluche.

Het dorp Les Eyzies de Tayac in het departement Dordogne is de Franse hoofdstad van de prehistorie. Behalve de toeristenwinkeltjes is hier ook het Nationale Museum van de Prehistorie gevestigd, dat vorig jaar een nieuw onderkomen kreeg. Het museum bezit een van de grootste collecties prehistorische voorwerpen ter wereld. De meeste zijn afkomstig uit de streek zelf, want in het dal van de Vézère waarboven Les Eyzies op zijn rots ligt zijn meer grotten en andere archeologische vindplaatsen bekend dan in de rest van Europa. De Unesco telde vijfentwintig gedecoreerde grotten en honderdzevenenveertig vindplaatsen toen ze de vallei in 1979 opnam in de lijst van werelderfgoederen. `Er is geen andere prehistorische vindplaats ter wereld die deze evenaart in de kwantiteit, kwaliteit en gevarieerdheid van de vondsten', meende de Unesco.

Tovenaar

De prehistorie is hier zo weelderig aanwezig dat ook veel particulieren nog grotten kunnen bezitten. Een paar jaar geleden werd er nog een gevonden in de tuin van een Engels echtpaar in Cussac. Soms staat er eentje te koop. In Saint Cirq, een paar kilometer van Les Eyzies, wordt een huis aangeboden inclusief een grot met de 15.000 jaar oude gravure van een man, een van de zeldzame afbeeldingen van een mens uit de steentijd. Vroeger heette het mannetje de tovenaar, nu durft niemand meer verder te gaan dan `man'. Maar dat kan ook een eretitel zijn. Het figuurtje z'n penis is langer dan zijn dijen.

In de Dordogne is de prehistorie goed voor een enorme toeristische industrie, zoals elders de Middeleeuwen en de Renaissance. Geen kloosters en kastelen, maar grotten en schuilplaatsen onder overhangende rotsen. De grot van Lascaux moet zijn plaats aan de top van de Franse rotskunst sinds 1994 weliswaar delen met de grot van Chauvet in de naburige Ardèche, maar die grot is niet voor het publiek toegankelijk. En er is ook geen Chauvet II, zoals er wel een Lascaux II is, een replica van de beroemde, in 1940 ontdekte grot die misschien niet meer de oudste of de mooiste is, maar wel de bekendste. Zoiets heeft tijd nodig. In een van de vele kinderboeken over Lascaux, Les pinceaux de Lascaux, wordt uitgelegd hoe je met een paar simpele lijntjes een hert kan tekenen als op het Frise des Cerfs in de grot. Alsof die herten Mickey Mouse zijn.

De zon schijnt tussen de bomen door, het water stroomt, de kiezels glanzen. Hier liepen 80.000 of 25.000 of 10.000 jaar geleden mensen! Het is een feit dat iedere toerist in de Dordogne gedwongen is een keer te overdenken. Maar ondanks de aanwezigheid van die honderdzevenenveertig vindplaatsen en vijfentwintig grotten is het bewijs ervoor buiten niet overweldigend. De prehistorie leverde niet de dorpen of kastelen die een bezoeker van nu zo makkelijk naar de Middeleeuwen kan leiden. In de Dordogne helpt zelfs het landschap niet. Op de groene bergen liepen geen mensen in dierenvellen.

In de Abri Pataud, een schuilplaats onder een rots in Les Eyzies die al sinds 35.000 jaar af en aan bewoond is geweest, hangen getekende impressies van de manier waarop dit gebied er tien en twintigduizend jaar geleden uitgezien moet hebben. Toen waren de bergen nooit zo bebost als nu. Er waren andere dieren, andere planten. Nu een konijn, toen een neushoorn. Alleen de grillige rots van geel kalksteen is onveranderd.

Oerossen

Veel van de gedecoreerde grotten bieden evenmmin tastbare historische sensatie. In de grot van Bara Bahau bij Le Bugue bijvoorbeeld zijn de contouren van paarden, bisons en oerossen gekerfd, maar ze worden in het halfduister alleen zichtbaar voor wie het rode lampje van de gids goed volgt en zelfs dan nog lijkt het eerder een kwestie van willen zien dan van zien. Het is alsof die Cro Magnons in het Magdalénien geen dieren schilderden maar een Rorschachtest. De strepen die de beren met hun klauwen trokken zijn overtuigender. Ook daarin kun je patronen onderscheiden, net als op de gefossileerde schelp. Maakt het eigenlijk uit of iets door een mens of door een dier of door een chemisch proces is gemaakt?

Beter gaat het in de grot van Rouffignac. Daar rijd je met een treintje de donkere grot in, en daar heb je geen rood lampje nodig als er plotseling een licht aangaat. Drie neushoorns staan zoals ze 13.000 jaar geleden al stonden. De ouderdom is nog steeds belangrijk voor de waardering, maar niet meer alleen. Nog duidelijker wordt dat bij het grote plafond dieper de grot in, waar paarden, mammoeten, bisons, steenbokken en neushoorns over elkaar buitelen. Het is soms even zoeken, maar een paar lijnen vormen plotseling ontegenzeggelijk een dier en een kromme lijn kan alleen nog de buik van een paard zijn; vier streepjes zijn geen sporen van een berenklauw maar de wollige vacht op de voorpoot van een mammoet.

Sommige dieren lenen elkaar lichaamsdelen. De achterpoot van de ene steenbok is de voorpoot van een andere. In andere gevallen werkt de rots zelf mee, is een uitstekend steentje het oog van een bizon, wordt een bolling in de wand de buik van een bok. De gids zegt het Picasso na: `Wij hebben niets nieuws uitgevonden'.

Na het ontdekken van de dieren in de wirwar van lijnen is het toch die wirwar zelf die het meeste indruk maakt. Je ziet de bomen en het bos. Sommige geleerden hebben geprobeerd in de plaatsing van de dieren een patroon te ontdekken (`alleen de mammoeten en de bizons komen over het hele plafond voor'), maar voor genot is dat niet nodig. Juist die overdaad, die mogelijkheid van in- en uitzoomen, bekoort, omdat hier alles en niets, veel en weinig, afbeelding en abstractie is.

Het plafond is niet zo hoog als dat woord doet vermoeden. Lange mensen zouden de mangaanzwarte lijnen kunnen aanraken. De gids vertelt dat het vroeger nog veel lager was. De schilders moeten op hun rug hebben gelegen om ze aan te brengen. Dat gegeven roept meteen de vraag op of de dieren wel bedoeld zijn om gezien te worden. De Cro Magnons hebben hier nooit staan duizelen. Misschien was het maken belangrijker dan het tonen van de afbeeldingen, het gebaar van de hand van meer gewicht dan de baan van het oog. Met een stukje houtskool uit de barbecue probeer ik 's avonds een hertje.

In de toeristenwinkeltjes zijn nog authentieker hulpmiddelen te koop. Een stuk steen en een potje met rood en zwart pigment, een kwastje van hout. ,`Now, you can travel back in time and have fun reproducing the wonderful paintings that our prehistoric ancestors left us on the walls of the caves.'

Leren schortjes

In prehistorische themaparken als die in Le Thot en Tursac zijn grotjes van plastic gebouwd waar mensen prehistorisch kunnen vingerverven. Ook de volwassenen krijgen leren schortjes aan. In Tursac kun je ook leren vuur maken en speerwerpen.

Het is makkelijk om te schamperen over dit soort participerend toerisme, over themaparken waar levensgrote stenen mannen met een speer in een hand klaar staan om een stenen mammoet of reuzenhert te doden. De wolharige mammoet in Le Thot kan zijn rechtervoorpoot een stukje van de grond tillen. Een klein stukje. Hij doet het om de paar minuten, en laat daarbij een geluid horen dat meer lijkt op het geblaat van een boos schaap dan van een olifant. Maar in Le Thot lopen ook levende `prehistorische' dieren rond, en hoewel er vaak op wordt gehamerd dat de paarden in Lascaux niet realistisch zijn afgebeeld – hun lijven zijn te groot, hun koppen te klein – lijken ze toch meer op de Przewalski-paarden uit het park dan op een paard uit een hedendaagse stal.

Er is ook een pasgeboren prehistorisch hert. Alle kinderen schreeuwen Bambi. Waar zou toch de gewoonte vandaan komen om mensen uit de prehistorie altijd namen als Noune en Goumbi te geven? Het zijn dezelfde soort namen die in sciencefiction gebruikelijk zijn, alsof de afstand van het heden tot het verleden en de toekomst in klinkers even lang is.

Het museum in Les Eyzies, een ontwerp van de Italiaanse architect Buffi, is gemaakt van dezelfde gele kalksteen als de rots erachter, alleen is die glad, alsof beter polijsten het grootste verschil tussen toen en nu uitmaakt. Binnen worden 18.000 dingen tentoongesteld, van een op de vloer van Lascaux gevonden olielamp tot een reconstructie van een edelhert. Toch bestaat de uitstalling ook hier voor het grootste deel uit vuistbijlen en andere kleine werktuigen, de vloek van elk prehistorisch museum of prehistorische afdeling.

Veertig meter

In Les Eyzies heeft men ze zo esthetisch mogelijk uitgestald, in een meer dan veertig meter lange glazen vitrine. Tussen de vitrines hangen televisies, waarop een paar filmpjes laten zien hoe die werktuigen en andere prehistorische schatten worden gemaakt met de middelen die toen voorhanden waren. Twee handen slaan stukken van een vuursteen, telkens opnieuw, totdat de karakteristieke ovale vorm van een vuistbijl is verkregen die `laurier' heet. Twee handen polijsten een stuk rendierbot, steeds opnieuw, twee handen snijden met een stenen mes in een ronde steen, net zo lang tot de Venus van Willendorf, een van de bekendste sculptuurtjes uit de prehistorie, tevoorschijn komt. Het zijn fascinerende filmpjes, maar uitzoomen is er niet bij, alsof alleen in close-up het verleden kan herleven. In de paar filmpjes die meer achtergrond nodig hebben, bijvoorbeeld over het maken van een tent in de sneeuw of het afschrapen van een huid, hebben de onderzoekers moderne skikleding aan.

Een Franse vallei. Het dak van het museum biedt uitzicht over het dal van de Vézère. Op de rivier wordt gekanood, over de weg rijdt een toeristentreintje, op straat eten toeristen een ijsje en in het café zijn de croissantjes op. Hier hebben ook 80.000 en 25.000 en 10.000 jaar geleden mensen gewoond, vuur gemaakt, Venussen en vuistbijlen gesneden, gejaagd, gevist, een fossielen schelp opgepakt. De toeristenwinkeltjes hadden toch gelijk; de eerste uiting van het vermogen tot symbolische expressie van de mens wordt volgens archeologen bewezen door objecten van ongewone kleur en vorm. In de Dordogne is een vuistbijl gevonden die niet alleen praktisch is door zijn vorm maar mooi door zijn kleuren: er lopen drie gekleurde banen over heen. Ook fossiele schelpen zijn op de vroegste archeologische vindplaatsen opgegraven. Ze waren toen al oud. In de Abri de la Souquette werden drie zeeschelpen gevonden. Ze zijn niet door de natuur versteend, ze zijn niet miljoenen maar duizenden jaren oud. Het is oude nep, een woord dat op deze tijdsschaal gepast oneerbiedig klinkt. De schelpen werden gesneden uit het ivoor van een mammoet.

Musée National de Préhistoire, Les Eyzies de Tayac. Tot 1 september dagelijks 9.30-18.30u. Van september tot juni 9.30-12.30u en 14-17.30u. Di gesloten. Inl.: www.leseyzies.com en 00.33.5.53064545

De meeste grotten zijn in de zomer dagelijks te bezoeken. Een bezoek aan Font de Gaume moet gereserveerd worden. Inl. 00.33.5.53069080

    • Bianca Stigter