Opstaan en vallen

Na de militaire zege zou het een koud kunstje zijn Irak `up and running' te krijgen, meende Condoleezza Rice. De praktijk bleek weerbarstiger, ondervond Larry Diamond.

Larry Diamond, hoogleraar politicologie en sociologie aan Stanford University in Californië, verbleef op uitnodiging van de toenmalige veiligheidsadviseur Condoleezza Rice (inmiddels minister van Buitenlandse Zaken) van januari tot en met maart 2003 in Bagdad. Hij maakte deel uit van het selecte gezelschap Amerikanen en Irakezen dat een interim-grondwet moest voorbereiden. Die was op 8 maart 2003 door de voorlopige regeringsraad nog niet aangenomen, of er circuleerde in het sjiietische deel van Irak een pamflet, afkomstig van een politieke organisatie die banden onderhield met de machtige ayatollah Ali al-Sistani, waarin de interim-grondwet werd weggezet als een `tragedie voor de bevolking', een document dat `achter gesloten deuren' en `onder druk van de bezetters' tot stand was gekomen. Niet de Iraakse bevolking, maar een door de Amerikanen aangestelde voorlopige regeringsraad had de interim-constitutie aangenomen: `Is dit de democratie die de Irakezen is beloofd?'

Niet alleen de sjiieten waren kritisch over het resultaat. Later, toen hij de voorlopige grondwet tijdens discussieavonden in verschillende steden in Irak verdedigde, kreeg Diamond telkens dezelfde vragen voorgelegd. `Ten eerste, wat deed ik daar?' Het publiek, schrijft Diamond, had niet een Amerikaan, maar een Irakees lid van de voorlopige regeringsraad verwacht. `Ten tweede, waarom zouden ze de moeite nemen om over de voorlopige grondwet te discussiëren, nu die al was ondertekend en niet meer kon worden gewijzigd?' Overal waar Diamond verscheen hoorde hij dezelfde klacht: `Waarom zijn wij niet geraadpleegd?' Op beide vragen, aldus Diamond, `had ik geen goed antwoord'. Hij was zelf ook niet tevreden over de manier waarop de interim-grondwet tot stand was gekomen: onder grote druk van de Amerikanen, die een klein jaar na de val van Saddam Hussein (april 2002) een succes hard nodig hadden.

In de eerste twee maanden van Diamonds verblijf in Irak was het geweld buiten het beschermde gebied (de `Groene Zone') in Bagdad, waar de Amerikanen verbleven, sterk toegenomen, met als gevolg dat enkele delen van Irak zo goed als onbegaanbaar waren geworden. In het westen broeide een opstand van soennieten, oud-Baathisten en (import-)terroristen van Al-Qaeda in Mesopotamië,de organisatie van Abu Musab al-Zarqawi. In het zuiden en in de sloppenwijk Sadr-stad in Bagdad roerde het Mahdi-leger van stokebrand Moqtada al-Sadr zich.Een maand later, in april, zouden de spanningen in beide gebieden tot uitbarsting komen. In Squandered Victory, het boek over zijn belevenissen, beweert Diamond dat hij de opstand van Moqtada al-Sadr zag aankomen. Een dag voor zijn vertrek, op 1 april 2003, had hij een laatste ontmoeting met Paul Bremer, Amerikaans ambassadeur en onderkoning van Irak, waarin hij hem waarschuwde. Zijn plan om al-Sadr en zijn leger onschadelijk te maken door de inzet van 5.000 mariniers werd door Bremer weggehoond: `Ik weet niet of je het hebt opgemerkt,' zei hij, `maar er is een oorlog gaande in het westen.' Boodschap: bemoei je met zaken waar je verstand van hebt.

Squandered Victory is alleen al de moeite waard vanwege het portret van Bremer, een klassieke Amerikaanse bestuurder die Diamond door zijn ambitie, energie, uitstraling, religie (katholicisme) en moed aan John en Robert Kennedy doet denken. De 62-jarige Bremer, een man van `krachtige overtuigingen, grote doeleinden, schitterende retoriek en een geweldig zelfvertrouwen', wordt door Diamond beschreven als misschien wel de meest getalenteerde diplomaat van zijn generatie. Maar de eigenschappen die hem in de Amerikaanse bureaucratie naar de top deden stijgen krachtdadig leiderschap, een charismatische persoonlijkheid, arrogantie braken hem in Irak op. Hij nam niet de moeite het land en zijn bevolking te begrijpen, overtuigd als hij was van het belang van zijn missie, het vestigen van democratie in Irak. Met het leiderschap in Washington was hij ervan overtuigd dat iedereen dus ook de Irakezen als democraat-Amerikaanse-stijl door het leven wilde gaan: verlicht, ambitieus, positief ingesteld.

Wie dat ideaal met minder enthousiasme begroette, werd terzijde geschoven. Wie de wapens oppakte, hoorde uiteraard bij de evil-doers; Bremer beschreef de strijd in Irak, net als George Bush, als een conflict tussen goed en kwaad. Dat was alleen, zoals Diamond opmerkt, in de praktijk weinig behulpzaam, want het stond een beter begrip van de aard van het verzet tegen de Amerikanen in de weg.

Het was ook Bremer die aanvankelijk weigerde contact te zoeken met ayatollah al-Sistani, waardoor hij de sjiietische bevolking tegen zich in het harnas joeg, Bremer die de `de-Baathificatie' in gang zette, waardoor tienduizenden ambtenaren, onderwijzers en artsen werkloos werden, en Bremer die het leger ontbond, waarmee een half miljoen soldaten op straat werden gezet, een poel aan mankracht waaruit het gewapende verzet dankbaar putte. Het was onder zijn leiding dat de Amerikanen bij de onderhandelingen over de voorlopige grondwet aandrongen op het legaliseren van onwettig verkregen bewijs, inclusief gedwongen schuldbekentenissen. Hij was ten slotte fel gekant tegen de reservering van plaatsen voor vrouwen in het parlement, omdat dit hem deed denken aan het door hem verfoeide systeem van positieve discriminatie in de Verenigde Staten.

Zo schetst Diamond impliciet een beeld van Bremer als de ugly American, de Amerikaanse imperiale bestuurder die zichzelf voorhoudt dat hij met zijn goede bedoelingen anders is dan kolonialen uit het verleden. De minder plezierige maatregelen die hij neemt, komen immers voort uit het nobele verlangen naar democratie. Dat de lokale bevolking dat onderscheid niet maakt en hem ondanks alles ziet als onderdrukker, ontgaat hem. Dat zijn bewind leidt tot verzet eveneens: waarom zou het?

Bremer staat daarin zeker niet alleen. Veel Amerikanen die zich op het avontuur in Irak hebben gestort delen volgens Diamond zijn ongeduld. Ze hebben geen kennis van het land, spreken geen Arabisch, komen niet of nauwelijks de Groene Zone uit en hebben gekozen voor een verblijf van zes weken of drie maanden, te kort om daadwerkelijk iets tot stand te brengen. De Groene Zone lijkt volgens Diamond nog het meest op een universiteitscampus: er wordt hard gewerkt – iedere dag heerst er een koortsachtige examensfeer – maar er wordt ook gefeest en druk strategisch gepositioneerd voor een baan in Amerika. `Irak gedaan' staat goed op een CV. Op wat er buiten hun `bubble' gebeurt hebben velen, nog steeds volgens Diamond, geen direct zicht.

De onderhandelingen over een definitieve grondwet zijn deze week nog niet afgerond, ondanks volgens president Bush – `heroïsche pogingen' van de betrokkenen, inclusief de nieuwe Amerikaanse ambassadeur Zalmay Khalilzad, om geschillen op te lossen over de staatkundige indeling van het land, de status van de islam, de verdeling van de olieopbrengsten, de vertegenwoordiging van vrouwen in het parlement en de status van de stad Kirkuk. Khalilzad is de vierde Amerikaan die zich zo over Irak buigt.

Diamond was tegen de oorlog, maar nadat die was gewonnen besloot hij in te gaan op het verzoek van Rice om mee te werken aan de opbouw van de democratie. In het op een na laatste hoofdstuk vraagt hij zich af wat er daarbij fout is gegaan. Diamond suggereert dat de democratie in Irak wortel had kunnen schieten als het Witte Huis niet de blunder had begaan om het Pentagon een leidende rol te geven bij de politieke en economische reconstructie van het land. De onwil of het onvermogen van het Amerikaanse ministerie van Defensie om in te grijpen toen de bevolking in Bagdad na de val van Saddam Hussein massaal aan het plunderen sloeg (,,Stuff happens'', zei minister Rumsfeld) had vervolgens rampzalige gevolgen. Er heerste anarchie op straat en het verzet putte moed uit de passieve houding van de nieuwe bezetter. Vervolgens maakte Bremer volgens Diamond de fout de gematigde ayatollah al-Sistani links te laten liggen en toonde het Pentagon weer niet genoeg daadkracht toen Moqtada al-Sadr zich begon te roeren. Tot slot had Amerika snel een datum moeten vaststellen voor overdracht aan een Iraakse overgangsregering, waarbij niet de Verenigde Staten maar de Verenigde Naties een beslissende rol hadden moeten spelen.

De vraag is of Diamond het democratisch potentieel in Irak na de oorlog niet te rooskleurig inschat. Uit het fraaie boek The Fall of Baghdad (2004) van journalist Jon Lee Anderson blijkt dat zowel de sjiieten als de Baathisten zich in de aanloop naar en tijdens de oorlog al voorbereidden op een Irak post-Saddam Hussein. Volgelingen van al-Sadr hadden voor de val van Hussein al bezit genomen van Saddam-stad, dat ze omdoopten in Sadr-stad. (Diamond stipt dit even aan, zonder er verder op in te gaan). De voormalige vice president Taha Ramadan lichtte westerse journalisten voor de machtswisseling al in over de start van een grootscheepse zelfmoordcampagne. Deze 'vrijheidsstrijders' waren in staat om duizenden mensen te vermoorden. Hoe had Amerika hiertegen moeten optreden? Daarover zegt Diamond helaas niets.

Larry Diamond: Squandered Victory. The American Occupation and the Bungled Effort to Bring Democracy to Iraq. Times Books, 369 blz. €25,49

    • Menno de Galan