Glansrol voor nieuwe hoboïst Ogrintsjoek

Met het eerste van drie Zomerconcerten begon Mariss Jansons gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw met groot publiek succes aan zijn tweede seizoen als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest. Maar het was ook de avond van Alexei Ogrintsjoek, na het afscheid van de geliefde Werner Herbers de nieuwe solo-hoboïst, naast Jan Spronk. Ook fluitist Paul Verhey en violist Johan Kracht, eveneens vele jaren steunpilaren van het orkest, zijn gepensioneerd.

De Rus Alexei Ogrintsjoek, afkomstig van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, gaf gisteravond al bij het stemmen de toon aan. En Ogrintsjoek bleef het hele concert opvallen met zijn grote uitstraling en zijn prominente spel. Ook visueel trekt hij de aandacht, omdat hij in een muzikale frase telkens zijn instrument omhoog brengt en de belangrijkste noten op de meest intense wijze rechtstreeks de zaal inblaast.

In het Concert voor orkest van Lutoslawski had Ogrintsjoek slechts een enkele solo, wat dat betreft lijkt het stuk niet op het Concert voor orkest van Bartók. Maar de Eerste symfonie van Brahms leek soms wel een hobo-concert, al hadden ook concertmeester Alexander Kerr en hoornist Jacob Slagter opvallende bijdragen. Zulk hoogstpersoonlijk spel van aanvoerders vormt een van de belangrijke tradities van het Concertgebouworkest.

Het Concert voor orkest (1954) van de Pool Witold Lutoslawski, de laatste jaren bij het Concertgebouworkest al eerder op het programma, is een nieuw leven begonnen als een veel opzichten aantrekkelijk stuk met een enerverend en markant slotdeel. Ooit was het redelijk ouderwets – het aansprekende avantgardisme van Krzystof Penderecki zou Lutoslawski snel overvleugelen. Maar met de bescheiden verwijzingen naar Strawinsky en Sjostakovitsj (een enkeling hoort zelfs Mendelssohn), is Lutoslawski niet alleen `neo' en `retro' maar ook `polystilistisch'. Dat klinkt al heel wat eigentijdser.

Jansons leidde een uitstekend gespeelde uitvoering en hij kwam in Brahms' Eerste symfonie tot een weergave langs klassieke lijnen. De opening was majestueus en werd niet herhaald, zodat het vervolg vooral vaart en energie kreeg. Het derde deel was zonnig en Mendelssohn-achtig, het slotdeel stevig en imposant. Het was een ouderwetse perfecte Brahms: met glanzende vleugen in een volle rood-fluwelen klank, waarvan de glorie afstraalde op orkest en dirigent.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 18 aug Concertgebouw Amsterdam. Volgende Zomerconcerten: 20, 22 aug.

    • Kasper Jansen