Geroerd met getetter

In de zomer discussieert de Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) over boeken die ten onrechte zijn verguisd, genegeerd of verkeerd begrepen. Zoals `De evangelist' van Bas van Putten.

De afgelopen weken is het in de Leesclub onder de noemer `Het onderschatte boek' vooral gegaan over boeken die door ánderen onderschat waren. Veel auteurs bleken zelf al vanaf het eerste begin gezien te hebben dat het betreffende boek wél goed was, dat collega-recensenten iets over het hoofd hadden gezien. Maar hoe zit het met de boeken die je zélf niet op waarde hebt geschat?

In de nazomer van 2003 verscheen De evangelist, de vierde roman van Bas van Putten (1965), die sinds zijn debuut in 2000 jaarlijks een roman publiceert. De evangelist is het vijfhonderd pagina's dikke relaas van de Zaanse autohandelaar en ooit veelbelovende pianist Johannes Bach, dat de kritiek maar matig kon bekoren. Janet Luis had het in deze bijlage over `een eigenaardige woordenbrij': `Er komt bijna geen zin voor in deze roman of hij is aangedikt, opgeblazen of met een vergelijking verzwaard'. De lezer wordt `murw geslagen' door een `duistere donderpreek'. In de Volkskrant was het eindoordeel niet veel vriendelijker: `Hij [Van Putten] laat een goede observatie zien van menselijk falen, maar roept daarbij geen enkel mededogen of zelfs maar interesse op.'

Zelf kreeg ik De evangelist in handen toen de redactie van het jaarboek Magazijn de beste jonge schrijvers van 2003 moest kiezen. Twee mederedacteuren waren niet enthousiast en na lezing van het begin van de roman leek dat me een passend oordeel. Overwritten, inderdaad. En wat een vervelende kerel was die Bach, overladen met racistische en seksistische clichés. Zo viel Bas van Putten snel af voor de lijst van Magazijn. Die keuze leverde één protestgeluid op, nota bene in Magazijn zelf. Joost Zwagerman, gevraagd om een voorwoord, schreef dat hij niet begreep `waarom Bas van Putten er niet in stond'. De evangelist was volgens hem `een overrompelend goed boek'.

Vorige maand sloeg ik De evangelist weer open. Niet bij het begin, dat kende ik al, maar rond pagina 200. En of het nu de vakantietijd was, de scène waar ik in belandde of iets heel anders, de door Zwagerman voorspelde overrompeling vond plaats. Ik werd meegezogen in het tafereel van autoverkoper Johannes Bach die aan een zekere Laas een opgeknapte oldtimer verkoopt (cadeautje voor zijn vrouw) en die in vervoering raakt door mevrouw Laas terwijl zijn eigen echtgenote op de achtergrond zit te snotteren.

Het is een prachtige scène, waarbij Van Putten de bewegingen door de showroom, de korte babbelgesprekjes, het binnendragen van de koffie, de `onthulling' van de auto en de ontkurking van de champagne neerzet als een literair ballet of, meer in lijn met de achtergrond van de hoofdpersoon, een symfonie.

Dat wordt allemaal extra aangezet door de cerebrale precisie waarmee Bach de details van de autoverkoop probeert te controleren. Vergeefs, want de koffie komt te laat en Bachs zoon vergeet zijn afgesproken rol te spelen. Maar hoewel de uitvoering niet foutloos verloopt, stemt het geheel Bach tevreden op het moment dat de Pagode (want zo heet de oude sportwagen) het terrein af rijdt. Volgt een lyrische passage over het rijden in die auto die plotseling overgaat in een heel ander register: een onheilspellende uiteenzetting over het remsysteem van de betreffende wagen: `Genoeg, zeiden ze vroeger, om een leger mee tot staan te brengen. Als ze werken.' Dat doen ze niet en het onvermijdelijke ongeluk doet Bach besluiten de autohandel eraan te geven en zijn leven om te gooien. Hij keert terug naar de passie waarvoor hij ooit wegvluchtte. Hij zet zich achter de piano en blijkt daar in staat tot grote fijnzinnigheid: `Hij speelde foutloos en intens. Zijn toon was zacht, maar in de voor het instrument te kleine ruimte zo nabij dat de muziek je hele lijf tot gonzen bracht, of je als luisteraar een grote zware klok was die zojuist geslagen had.'

Dat is de subtiliteit die contrasteert met de bombast waarmee Bach zich verder door het leven slaat: `Alles om mij heen is zwak, dacht Bach; dus moest hij sterk zijn'. Dat `sterk zijn' heeft veel weg van een klootzak zijn: Bach richt zijn agressie op vrijwel alles en iedereen, en zijn luchtbuks op de tuin van de buren. Aangenaam gezelschap is hij allerminst en om iets van zijn Zaanse zelfhaat te begrijpen moet je waarschijnlijk zelf langere tijd domweg ongelukkig in Zaandam zijn geweest. Maar Bachs onhandige zoektocht naar schoonheid en perfectie (en de vergissing dat die twee synoniem zouden zijn) maken hem wel tot een personage met een verhaal dat blijft intrigeren, tot hij, aan het eind van het boek, de `bevrediging van de wil' bereikt.

De evangelist is geen subtiele roman, een tikje mateloos zelfs, maar het is in de eerste plaats een boek vol geweldige passages. Van die stukken gaat de intimiteit op het eerste gezicht misschien verloren onder het getetter van Bach, maar dat is schijn. Want na de mooiste stukken in De evangelist voel je je trillen als, inderdaad, een klok die net heeft geslagen.

Bas van Putten: De evangelist. Contact, 510 blz. €24,90