Geen vriend recenseren, maar wie is een vriend?

Begin deze maand bood de Washington Post haar lezers excuus aan voor de recensie van Marianne Wiggins over het laatste boek van John Irving. De redactie had niet geweten dat Irving vroeger bevriend was met Wiggins en een eerdere roman had opgedragen aan haar voormalige echtgenoot, Salman Rushdie.

De Washington Post hanteert strenge regels. In de schriftelijke afspraken die de krant met recensenten maakt, staat dat zij de boekenredactie moeten waarschuwen als een belangenconflict dreigt. Dat zou kunnen door vriendschappelijke contacten, maar ook door oude vetes.

De chef van de wekelijkse boekenbijlage van NRC Handelsblad, Sjoerd de Jong, verzekert dat ook deze krant in de regel geen boeken laat bespreken door bevriende recensenten. ,,We hanteren een aantal vuistregels, maar ik geloof niet in Prinzipienreiterei. Het gaat er natuurlijk om wie je als vriend beschouwt. In twijfelgevallen hebben we het daarover.''

In Nederland is het wereldje van journalisten, recensenten, schrijvers en uitgevers klein. Men ontmoet elkaar bij perspresentaties, op symposia, in jury's en tijdens interviews. Voor je het weet worden de contacten met schrijvers zo innig dat je hun boeken niet meer kunt recenseren.

Om die reden mijdt redacteur literatuur Pieter Steinz boekpresentaties. Hij gaat daar alleen heen als hij de auteur persoonlijk kent, bijvoorbeeld als collega. Maar dan bespreekt hij hun boeken niet.

Ook met interviews is de krant voorzichtig. Doorgaans wordt eerst de recensie geplaatst en pas daarna het interview. Bij voorkeur wordt het interview niet afgenomen door de recensent. Dat allemaal omdat persoonlijk contact het onafhankelijk oordeel in de weg kan staan.

De afstand tussen recensent en prozaschrijver is toegenomen door de professionalisering van de kritiek. Vroeger bespraken schrijvers als Simon Vestdijk en Victor E. van Vriesland in de NRC het werk van collega-schrijvers. Zij waren onderdeel van de literaire wereld, net als eerder Menno ter Braak, die tegelijk schrijver en recensent van Het Vaderland was. In andere landen komt dergelijke peer-to-peer-kritiek nog veel voor, in Nederland nauwelijks.

Maar er zijn uitzonderingen. Ook in NRC Handelsblad schrijven dichters over dichters. Een van hen is Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft uitgesproken opvattingen over poëzie en houdt van polemiek. Mededichter Rutger Kopland heeft hij zo heftig aangevallen dat de boekenredactie hem niet zal vragen een nieuwe bundel van Kopland te recenseren.

Pfeijffer publiceert ook in het literaire tijdschrift Revisor, dat begin dit jaar in zijn voortbestaan werd bedreigd door een negatief subsidieadvies. Dat advies was opgesteld door een commissie waarin ook NRC Handelsblad-recensent Yra van Dijk zat. Vervolgens schreef redacteur Elsbeth Etty een negatief stuk over de Revisor, maar met de kanttekening dat dichters en critici niet in zo'n commissie thuis horen. Dat beulswerk moeten ze aan anderen overlaten. Het is een voorbeeld van hoe dicht alles op elkaar zit.

Elsbeth Etty heeft zelf in het verleden niet in `beuls'-commissies gezeten, maar wel in jury's. Dat vinden sommige collega's van haar weer onverstandig. Een van de bezwaren is dat je zo meegezogen wordt in een collectief oordeel, dat kan afwijken van je eigen mening. Dan is het moeilijk je in het openbaar te distantiëren van medejuryleden.

Ten minste even lastig is de dubbelrol van journalist-schrijver. Bij NRC Handelsblad komt die frequent voor. Ook recensenten schrijven boeken en hebben daardoor relaties met uitgevers. Elsbeth Etty zegt geen boeken te recenseren die bij Balans verschenen in de biografieënreeks waarin ze zelf publiceerde. Ze ging wel naar een perspresentatie van de ook bij Balans verschenen biografie van Hillary Clinton. Maar toen schreef ze alleen over het gedoe daar omheen.

Boeken van eigen redacteuren die in het NRC Handelsblad-fonds van uitgeverij Prometheus verschijnen, worden op de advertentiepagina's krachtig aanbevolen. Maar diezelfde boeken worden in de redactionele kolommen soms streng beoordeeld. De afgelopen maanden gebeurde dat bijvoorbeeld met de tweede roman van Hans Nijenhuis en het Srebrenica-boek van Raymond van den Boogaard.

De redactie hanteert hier de stelregel dat boeken van eigen redacteuren niet door directe collega's worden gerecenseerd. Er wordt dus altijd een recensent van buiten de redactie gezocht. En die is natuurlijk vrij in zijn oordeel. Als de recensie negatief uitvalt, is dat jammer voor de redacteur, maar wie een boek schrijft neemt dat risico.

Vooral bij non-fictieboeken kan het moeilijk zijn een recensent te vinden die geheel onafhankelijk is. Een boek over Nederlands-Indië in de 17de eeuw wil je graag laten recenseren door iemand die verstand heeft van dat onderwerp. Maar hoeveel kenners telt Nederland op dat gebied? Voor je het weet kom je uit bij iemand die aan hetzelfde instituut werkt als de besproken auteur. Of bij een meelezer die het boek vooraf van kritisch commentaar heeft voorzien. Of bij iemand die zelf eerder gerecenseerd is door de persoon die hij nu moet beoordelen.

Het aantal dilemma's is dus legio, maar in de praktijk gebeuren er niet veel ongelukken. Bij het doorbladeren van de laatste acht boekenbijlagen valt op dat het reservoir van recensenten waaruit deze krant kan putten, groot en gevarieerd is: vijftig verschillende recensenten in twee maanden. Op het eerste gezicht zijn er geen recensies bij waarvoor de Washington Post excuses zou aanbieden.

Toch zou je soms iets meer willen weten van de achtergronden van de recensent, vooral bij non-fictieboeken. Vroeger kwam het wel voor dat onderaan een recensie vermeld stond wat de professionele achtergrond van de auteur was. Met zo'n uitleg erbij hoef je ook iets minder krampachtig om te gaan met mogelijke belangenverstrengeling. De lezer kan dan zelf beoordelen hoe voor- of nadelig het is dat bespreker en besprokene elkaar op enigerlei wijze kennen.

Piet Hagen, oud-hoofdredacteur van `De Journalist', blikt eens in de veertien dagen kritisch terug op de berichtgeving in NRC Handelsblad. Eerdere bijdragen op www.nrc.nl/krantachteraf

    • Piet Hagen