Geen vooruitgang zonder eigen theefabriek

Fluctuerende prijzen op de wereldmarkt en slecht betalende afnemers: boeren in ontwikkelingslanden staan er meestal machteloos tegenover. In Rungwe, in Tanzania, zijn de theeboeren erin geslaagd deze situatie te keren.

`Chai Yako!' roept de voorzitter van de boerencoöperatie. Een dertigtal theeboeren zit opeengepakt op wankele houten bankjes. Ze steken hun vuisten de lucht in en antwoorden gedreven: ,,Chai Yako!'' De kreet galmt verscheidene malen door het kale, bakstenen gebouwtje. `Jouw thee', betekent het, maar het is ook het eigen merk van de coöperatie. Een merk waar de boeren trots op zijn. Want de theebladeren komen van hun eigen planten, worden geplukt door hun eigen handen. Heel precies, het topje van de struik: twee jonge, lichtgroene bladeren en het knopje daartussenin.

Het plukken van theebladeren is een zeer precieze handeling. Het werk kan nauwelijks door machines gedaan worden en de thee-industrie is daardoor zeer arbeidsintensief. De boerencoöperatie in Rungwe, een groen en heuvelachtig gebied in het zuidwesten van Tanzania, telt ruim 16.000 leden, verspreid over 108 dorpen. Alle leden zijn zelfstandige boeren, smallholders genoemd, die ieder gemiddeld minder dan een halve hectare land bezitten.

De Rungwe Smallholders Tea Growers Association (RSTGA) is een van de elf coöperaties van kleine, zelfstandige theeboeren in Tanzania. Samen met de grotere boeren en de grote theeplantages, van onder andere Unilever, zorgen de smallholders voor een jaarlijkse theeproductie van ruim 25 miljoen kilo. Tanzania is daarmee naast Kenia, Malawi en Oeganda een van de grootste theeproducenten van Afrika, en hoort wereldwijd tot de twintig landen met de hoogste theeproductie.

Het waren Duitse kolonisten die begin 20ste eeuw de eerste theestruiken plantten. Na de Tweede Wereldoorlog werden de theeplantages onder Engels toezicht fors uitgebreid. De smallholders begonnen pas na de onafhankelijkheid van Tanzania in 1961 een rol te spelen in de industrie. De zelfredzaamheid van deze kleine boeren werd een van de pijlers van het nieuwe, socialistische Tanzania van president Julius Nyerere. De Tanzania Tea Authority, opgezet door de regering in 1968, ontwierp een actief ondersteuningsbeleid voor de smallholders.

In de jaren tachtig bereikte de productie van de kleine boeren een piek en produceerden zij een kwart van de totale Tanzaniaanse thee. Maar in dezelfde jaren holden de omstandigheden van de smallholders achteruit. De prijs van theebladeren daalde. De Tea Authority, waaraan de boeren hun bladeren verkopen, betaalde soms maanden achtereen niet uit. En in de theefabrieken, alle in handen van de regering, leidden verouderde machines tot een inefficiënt productieproces.

De gevolgen van deze misstanden werden in de jaren negentig zichtbaar. Het aandeel van kleine boeren in de totale theeproductie kelderde van 25 naar 10 procent, en eind jaren negentig zelfs naar 5 procent. Lazáro Mwakajila, de voorzitter van de Rungwe theeboerencoöperatie, weet nog precies wat destijds de nagel aan de doodskist van de kleine boeren was. ,,De boeren waren geheel afhankelijk van de regering. Die had alles in handen, zonder iets van de thee-industrie af te weten. De Tea Authority, de fabrieken, het transport, álles was in bezit van de staat'', verzucht Mwakajila.

De kleine, charismatische voorzitter, zelf al 45 jaar theeboer, geeft een voorbeeld van wat er zoal misging. ,,Na het plukken moeten theebladeren binnen acht uur verwerkt worden in de fabriek. Maar het transport van de velden naar de theefabriek was onbetrouwbaar. De overheid liet de wegen verslechteren en de slechte wegen zorgden voor grote vertraging van de vrachtwagens. Je wist maar nooit of het resultaat van een dag plukken op tijd werd opgehaald. Na meer dan acht uur zijn de theebladeren uitgedroogd en kun je ze wel weggooien.''

Door dit soort toestanden groeide de ontevredenheid onder de theeboeren, niet alleen in Rungwe, maar ook in andere theegebieden in Tanzania. De regering besloot maatregelen te nemen om de malaise tegen te gaan. De kleine theeboeren werden door een nieuwe overheidsorganisatie gesteund in het opzetten van coöperaties. J.A. Kiroga, operations manager van deze Smallholder Tea Development Agency, vertelt dat dit door het hele land volgens dezelfde structuur verliep: ,,Elk dorp kiest zijn eigen vertegenwoordigers, daaruit worden weer vertegenwoordigers gekozen voor een district, en uit deze mensen komen de leiders van de coöperatie voort.''

Hoewel alle theeboerencoöperaties volgens dezelfde structuur zijn opgezet, is hun succes wisselend. Kiroga is van mening dat een aantal factoren het welslagen van een coöperatie bepaalt: goed leiderschap, aandelen in een theefabriek en eerlijke prijzen. ,,Goed leiderschap is onmisbaar. Een sterke voorzitter kan investeerders aantrekken. En het is ook de voorzitter die ervoor kan zorgen dat een coöperatie in aanmerking komt voor verkoop van thee aan fairtrade-organisaties. Zonder een actieve voorzitter gebeurt er niets.''

De voordelen van aandelen in een theefabriek zijn overduidelijk in het geval van de coöperatie in Rungwe. Eind jaren negentig werden de staatsfabrieken geprivatiseerd. De RSTGA wist genoeg geld te bemachtigen om 25 procent van de fabriek te kopen. ,,Ons aandeel in de fabriek geeft de boeren een stem'', vertelt voorzitter Mwakajila trots. ,,Terwijl we vroeger afhankelijk waren van de regering, kunnen we nu het heft in eigen hand nemen. We hoeven niet meer op onze betaling te wachten, de fabriek betaalt ons maandelijks uit. We weten precies wat er gaande is op de markt en ontvangen zelfs dividend omdat we aandeelhouders zijn.''

Tanzania Tea Packers (TATEPA) bezit de overige 75 procent van de theefabriek in Rungwe. In een studie van de universiteit van Dar es Salaam naar armoedebestrijding in Tanzania wordt TATEPA genoemd als een van de weinige bedrijven die winst boeken op dit terrein. Directeur Bimb Theobald vertelt dat TATEPA aan directe armoedebestrijding werkt door de boeren een vaste en relatief hoge prijs te betalen voor de theebladeren.

,,De boeren worden zo gestimuleerd om meer te oogsten'', vertelt hij. ,,Door tegelijkertijd te investeren in de modernisering van de theefabriek, hebben we de theeproductie in een paar jaar kunnen verzevenvoudigen. Aan indirecte armoedebestrijding werken we door bijvoorbeeld onderzoek naar thee en naar mest te financieren'', gaat Theobald verder. ,,Door deze hulp is de kwaliteit van de thee uit Rungwe nu een van de hoogste van heel Tanzania. Logischerwijs wordt voor een hogere kwaliteit thee een betere prijs betaald.''

Het merendeel van de coöperaties is er nog niet in geslaagd aandelen in een fabriek te verwerven. Volgens Kiroga van de Smallholder Tea Development Agency zijn deze coöperaties beduidend minder goed af. ,,De coöperatie in Mufindi, een ander groot theegebied in het zuidwesten van Tanzania, verkoopt haar theebladeren aan de omringende grote theeplantages. De boeren ontvangen een lagere kiloprijs dan in Rungwe, en worden verder op geen enkele manier gestimuleerd om meer te produceren. Zolang ze geen eigen fabriek hebben, zal er geen vooruitgang zijn'', meent Kiroga.

Fairtrade is de derde factor die vooruitgang van de coöperatie en ontwikkeling van de regio garandeert. ,,De RSTGA is tot nu toe de enige theeboerencoöperatie in Tanzania die met een fairtrade-organisatie werkt'', vertelt Kiroga. ,,De theeboeren in Tanzania hebben een laag inkomen. Om scholen te bouwen of gezondheidsprogramma's op te zetten, zijn extra fondsen nodig. Coöperaties kunnen of willen dat niet uit eigen zak betalen. Daarvoor bieden fairtrade-premies uitkomst. De premies worden rechtstreeks in ontwikkelingsprojecten gestopt en verdwijnen niet in de zakken van de boeren. De hele gemeenschap profiteert zo mee.''

Maar niet elke coöperatie komt in aanmerking voor fairtrade. De internationale overkoepelende organisatie Fairtrade Labelling Organizations (FLO), waar ook het Nederlandse Max Havelaar onder valt, heeft een aantal criteria waaraan organisaties moeten voldoen. Zo moeten boerencoöperaties een democratische beslissingsstructuur hebben, mogen ze geen gebruikmaken van kinderarbeid en moeten ze een milieuplan opstellen. Daarnaast zijn er bepaalde kwaliteitseisen waar fairtrade-producten aan moeten voldoen.

De coöperatie in Rungwe verkoopt sinds 2002 10 procent van de productie van de theefabriek aan Tea Direct, een Engelse fairtrade-organisatie. Deze organisatie betaalt per kilo thee 40 sterlingcent (0,59 euro) bovenop de marktprijs. Een bedrag dat indirect wordt betaald door consumenten die de zekerheid willen dat boeren in ontwikkelingslanden niet worden uitgebuit. Ook Max Havelaar werkt in Tanzania volgens hetzelfde principe, maar de Nederlandse fairtrade-organisatie koopt haar thee niet van boerencoöperaties, maar van grotere plantages.

Een comité van afgevaardigden uit verschillende dorpen in de Rungwe-regio beslist waar de extra inkomsten voor worden gebuikt. Zo zijn er in de afgelopen jaren 21 scholen en 6 watervoorzieningen gebouwd, is er een aids-voorlichtingsprogramma opgezet en wordt er voorzichtig begonnen met het aanleggen van een pensioenfonds en een ziekenfonds. Maar de premies worden ook geïnvesteerd in nieuwe daken voor de bladverzamelpunten, zodat de theebladeren minder snel uitdrogen en een goede kwaliteit behouden. ,,Dat is precies wat andere coöperaties ook nodig hebben om hun dorpen te ontwikkelen en armoede te bestrijden. Maar voorlopig zijn ze nog niet zo ver. Het ontbreekt ze aan middelen, goed leiderschap en wilskracht om in de voetsporen te treden van de RSTGA'', vat Kiroga samen.

De RSTGA fungeert als voorbeeld voor de andere boerencoöperaties. De positie van de kleine boeren in Rungwe is de afgelopen jaren dan ook met grote stappen vooruitgegaan. Hun inkomen is vervijfvoudigd en hun leefomstandigheden verbeteren langzaam maar zeker door de fairtrade-projecten. Maar voorzitter Mwakajila vindt dat nog niet genoeg. ,,We hebben veel bereikt, maar we willen nog veel meer. Onze thee wordt verkocht onder het TATEPA-merk Chai Bora, het grootste theemerk van Tanzania. Maar in de nabije toekomst willen we een deel van onze thee verkopen onder een éígen merk: Chai Yako. Van de opbrengst van Chai Yako willen we onze leden nog beter helpen. We promoten zonne-energie in afgelegen gebieden waar geen andere energievoorzieningen zijn. We willen een sterke basis leggen voor het net gestarte pensioenfonds, zodat we niet afhankelijk zijn van onze kinderen wanneer we zelf niet meer kunnen werken. Het werk zit er voor de RSTGA nog lang niet op. De coöperatie is de basis voor onze groei, Chai Yako is de toekomst.''

    • Suzanne Heuts