Geef privacy niet zomaar op voor terreur

Met een langdurige bewaarplicht voor de communicatiegegevens van miljoenen burgers voor de bestrijding van terrorisme lijkt een verdragsrechtelijke grens te worden overschreden, meent Jacob Kohnstamm.

Het langer bewaren voor strafrechtelijk doeleinden van de gegevens van het telefoon- en e-mailgebruik van alle burgers wordt gepresenteerd als een onontkoombare maatregel in het kader van de bestrijding van terrorisme. Zo eiste de Britse regering daags na de aanslagen in Londen van 7 juli dat de Europese ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken ten spoedigste daarover een knoop zouden doorhakken. Maar deze maatregel kan pas kan worden goedgekeurd als de noodzaak ervan is aangetoond. Indien dat bewijs niet geleverd wordt, ontbreekt ook de maatschappelijke en verdragsrechtelijke rechtvaardiging die voor een dergelijke ingrijpende inbreuk op vrijheden van burgers onontbeerlijk is.

In dat kader heeft de Erasmus Universiteit in Rotterdam in opdracht van minister Donner van Justitie nut en noodzaak van het langer bewaren van de zogeheten verkeersgegevens onderzocht. Daartoe werden 65 afgeronde strafzaken bekeken waarin gegevens die aanbieders van telefoon of internet ten behoeve van hun bedrijfsvoering rechtmatig enige maanden bewaren, bij de opsporing of bewijsvoering een rol hadden gespeeld. De onderzoekers kwamen na bestudering van die dossiers tot de niet opzienbarende conclusie dat verkeersgegevens in die door Justitie geselecteerde zaken inderdaad een rol hadden gespeeld. In de woorden van Paul Mevis, hoogleraar strafrecht en supervisor bij het onderzoek: ,,De politie leeft met wat er is, omdat er niet meer is. En dat blijkt redelijk te gaan.'' Maar voor het overige concludeerden de onderzoekers dat nut en noodzaak van het langdurig bewaren van de verkeersgegevens van alle 450 miljoen burgers van de Europese Unie met dit onderzoek niet is aangetoond.

Het rapport maakt melding van twee uitzonderingen op deze conclusie. Aan rechtshulpverzoeken uit het buitenland kan soms niet effectief tegemoet worden gekomen, omdat de administratieve verwerking daarvan meer maanden in beslag neemt dan de gevraagde verkeersgegevens beschikbaar zijn. Ook bij langer lopende rechercheonderzoeken, bijvoorbeeld naar georganiseerde zware criminaliteit, stuit men soms te laat op telefoonnummers, waardoor uit de relevante periode geen verkeersgegevens meer beschikbaar zijn. Het scheppen van een langdurige bewaarverplichting voor de telecommunicatiesector is in beide gevallen echter geenszins de voor de hand liggende oplossing.

Als opsporing in internationaal verband stroperig verloopt, dient het stroomlijnen van de procedures en formaliteiten voor internationale rechtshulp met kracht ter hand genomen te worden. Daaraan wordt in Brussel en in Den Haag inmiddels hard gewerkt. Maar de oplossing van dit probleem ligt niet in een verplichte verlenging van de bewaartermijn van verkeersgegevens. Bij langer lopende nationale rechercheonderzoeken gaat het veelal om bekende criminaliteit, vaak een aaneenschakeling van strafbare feiten waarbij opsporingsinstanties herhaaldelijk onderzoek doen over een langere tijd. In deze gevallen zou eerst bekeken moeten worden of dit onderzoek bij politie en justitie voldoende prioriteit krijgt, voordat gegrepen wordt naar nieuwe ingrijpende bevoegdheden. Want als aan dit soort onderzoeken in de opsporingspraktijk een hoge prioriteit gegeven zou kunnen worden, dient de overheid zelfs niet te volstaan met het verzamelen van telefoongebruik en internetgedrag. Ook gesprekken die zij voeren, kunnen dan op grond van reeds bestaande wet- en regelgeving met verborgen microfoons, telefoontaps en andere middelen worden afgeluisterd en opgenomen.

De druk op verantwoordelijke politici om maatregelen te treffen ter voorkoming van terroristische aanslagen, is terecht groot. Desalniettemin blijft het van even groot belang om geen loze maatregelen te nemen; maatregelen die op het oog misschien doortastend klinken, maar die dit soort aanslagen niet kunen verhinderen.

Aanslagen zijn te voorkomen door serieuze potentiële terroristen als zodanig te identificeren en hen vervolgens gericht in de gaten te houden. Dat is het werk van inlichtingendiensten en niet van de politie. Hoe weerbarstig dat werk overigens is, blijkt uit de informatie over aanslagen in New York, Washington, Madrid en Londen, voorzover deze informatie althans publiek is gemaakt. Telkens gaat het om personen die tenminste deels al wel in beeld waren, maar wier intenties kennelijk niet op juiste waarde werden geschat. Recente informatie over 9/11 doet zelfs vermoeden dat de belangrijkste daders van de aanslagen op Washington en New York bij delen van de politie en justitie in de VS bekend stonden als fanatieke aanhangers van Al-Qaeda. Bij de plegers van de aanslagen in Madrid en ten dele die in Londen, is het risico hetzij te laag ingeschat, hetzij waren de daders op nog geen enkele wijze bij de inlichtingendiensten in beeld. In Nederland was Mohammed B. wel in beeld, maar kennelijk is de inschatting gemaakt dat hij niet tot de gevaarwekkende kern van potentiële terroristen behoorde. Kortom: een causaal verband tussen het niet voorkomen van deze terroristische aanslagen en het niet beschikbaar zijn van verkeersgegevens is vooralsnog ver te zoeken.

Ondanks het feit dat nut en noodzaak van de voorgestelde maatregelen niet zijn aangetoond, ziet het er naar uit dat bij het informele overleg van de Europese ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op 8 en 9 september in Newcastle een knoop zal worden doorgehakt, tenzij een aantal landen het hoofd koel houdt en hun verdragsrechtelijke poot stijf. Anders dreigt het terrorisme het breekijzer te worden om dit voorstel als onontkoombare maatregel er door te krijgen, ondanks groot en gemotiveerd verzet daartegen van de zijde van velen die overigens niets te verbergen hebben, onder wie de Europese Autoriteiten voor de bescherming van persoonsgegevens.

Het afwegen van nut en noodzaak van maatregelen die de persoonlijke levenssfeer van de burger raken, is een verplichting die onder meer voortvloeit uit het Dataverdrag van de Raad van Europa en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Met een langdurige bewaarplicht voor de communicatiegegevens van honderden miljoenen burgers voor het geval dit ooit nuttig zou kunnen zijn voor de bestrijding van terrorisme, lijkt een verdragsrechtelijke en principiële grens te worden overschreden. Maatschappelijk noodzakelijk betekent in dit geval immers niet veel meer dan handig voor een op onderdelen minder efficiënt optreden van het inlichtingen- en opsporingsapparaat. We moeten het niet gewoon gaan vinden dat de overheid op grond daarvan de telecommunicatiesector verplicht om alle communicatie van alle burgers, ook de totaal onverdachte onder hen, langer op te slaan dan voor die sector gebruikelijk is.

Jacob Kohnstamm is voorzitter van het College bescherming persoonsgegevens.

    • Jacob Kohnstamm