Elayne

TRENTO. In Albergo Accademia las ik op een dinsdagavond, gezeten op mijn knieën naast het bed want het telefoonsnoer was te kort, mijn e-mail. De neuroot is altijd bevreesd iets belangrijks te missen. In de praktijk valt het met dat belangrijke mee. Wat informatieve mails over een nieuw televisieseizoen, een bericht van een uitgever, een redacteur van een literair tijdschrift die meent dat een bijdrage van mijn hand in het nummer over Eros en Thanatos niet mag ontbreken, een dame die ik in het vliegtuig had ontmoet en die nu beschreef hoe de bruiloft, waarvoor ze naar de Verenigde Staten was gereisd, op haar was overgekomen, het woord `Märchenhochzeit' viel een paar keer, en dan nog een mail die begon met de woorden: `Wasn't sure exactly how to contact you so I apologize if this seems cold, but I wanted you to know that Elayne died early Monday morning. Let me know if there were any particular items of hers that you would like to have.'

Het was een bericht waarop meteen gereageerd moest worden, maar hoe, dat was de vraag. Ik schreef dat ik geschrokken was, wat ik ook wel was. Geloof ik. Ze was al zo lang ziek dat men ongewild begon te denken dat ze tot de onsterfelijken behoorde. In haar flatgebouw sloot men weddenschappen af als men haar weer eens op een brancard in een ziekenwagen zag worden geschoven, haar neus verbonden aan een fles zuurstof. Dit keer zou ze in het ziekenhuis blijven tot het crematorium haar riep, maar op de een of andere manier wist ze iedereen te slim af te zijn en kwam ze altijd weer thuis. Waar ze zich omringd had met vier, naar alle waarschijnlijkheid illegale, verpleegsters uit het Caraïbisch gebied die haar dag en nacht in de gaten hielden.

Als het ging om de dood van Elayne hadden al velen hun weddenschap verloren. Elke maand zwol een ander lichaamsdeel op, dat wel, of begaf een orgaan het, maar aangezien ze naar menselijke maatstaven al had moeten sterven, nam men de opgezette lichaamsdelen niet zo nauw.

Toen ik eind juli terugkwam van een reis waren haar neus en de helft van haar linkerwang verbrand. Ze zei dat ze dat speciaal voor mij had gedaan, bij wijze van verrassing.

Tijdens het bereiden van een ovenschotel, als ze op onverwachte momenten over wat energie beschikte wierp ze zich op het koken, was ze verblind geraakt door de zon en had niet gezien dat de waakvlam aanstond.

Brandwonden zijn geen prettig gezicht, maar haar zwaar opgezwollen benen en voeten waren dat ook niet. De mens in aftakeling is een clown, de aftakeling zelf een clownsact.

Ik schreef dus aan de vriendin die zo vriendelijk was geweest mij over haar dood in te lichten dat ik nog donderdagavond bij haar was geweest. Dat ze toen nog in goede gezondheid leek te zijn, ze was vast van plan haar huis te veranderen in een rendez-voushuis, want de verpleegsters werden langzaam onbetaalbaar. Ze had al een hypotheek op haar appartement genomen, maar hoe lang biedt dat soelaas? Als ze nog een paar jaar van plan was de kanker te overleven, en kennelijk was ze dat van plan, moest er naar alternatieve inkomsten worden gezocht. Toen ik haar vrijdag belde, vlak voor ik naar Genève vloog, bleek ze griep te hebben gekregen.

Ik bleef nog even naast mijn bed zitten in Albergo Accademia, en ik probeerde de clichés te vermijden. Wat schrijf je nog meer?

Ik vroeg wanneer de begrafenis zou zijn, hoewel ik me herinnerde dat ze me lang geleden al had verteld dat ze gecremeerd wilde worden en dat haar as boven Libanon moest worden uitgestrooid, want daar kwam haar grote liefde vandaan. Aan mij was het om naar Libanon af te reizen en daar de as te verstrooien.

Dat alles, het verstrooien van as bedoel ik, leek toen nog ver weg.

Ik had haar leren kennen in een taartjeswinkel annex koffiehuis die naar de prozaïsche naam Dolci on Park luisterde. Wat ik toen nog niet wist was dat zij zich had toegelegd op het oppikken van vreemden in openbare gelegenheden. Niet zozeer uit seksuele behoeften, meer om de eenzaamheid te bestrijden.

Ze was zonder familie in New York, ze was vrijwel helemaal zonder familie en ze had een paar jaar, of een paar maanden, daarover liepen de verhalen uiteen, op de psychiatrische afdeling van het Bellevue Hospital doorgebracht. Tegen haar zin, als ik het goed begreep.

Ze bestreed de ondraaglijke werkelijkheid met fantasievoorstellingen, maar de fantasievoorstelling kan ook weer ondraaglijk worden. Dit had tot verwijdering gezorgd tussen haar en de rest van de mensen. Met veel van de bewoners van haar flatgebouw leefde ze in onmin.

Een vriendelijke dame, Rose, die uitsluitend voor haar hond leefde, was kortstondig haar vriendin. In de zomer van 2003 vloog ze met deze Rose naar Amsterdam, maar niet lang daarna verbrak ze de vriendschap, omdat, zo beweerde ze, Rose haar geprobeerd had te verkrachten in Hotel de l'Europe.

Over het waarheidsgehalte van deze mededeling was verdere discussie zinloos.

Ze versleet mensen zoals anderen sokken. Vroeg of laat keerde ze zich tegen je. Slechts een enkeling bleef. Ik hoorde tot degenen die bleven, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat dat voornamelijk kwam omdat ik gepaste afstand bewaarde. Vaak nam ik de telefoon niet op, en haar faxen las ik slordig. Haar agressie vond ik veelal humoristisch en vaker nog vertrouwd en huiselijk. Ik houd van agressieve, oudere vrouwen.

Maar het was zeker niet alleen daarom dat ik me op 10 oktober 2001 verloofde met Elayne. De verloving an sich was net zo'n clownsact als de aftakeling van de mens, maar daarom niet minder waar en ook niet minder onprettig.

Het feest betaalde ik, want ook Elayne liet zich graag door mij wat toestoppen, net als vele andere vrouwen. Iets wat ik alleen maar prettig vind. Wie niets te geven heeft, of wie niets te geven denkt te hebben, geeft graag wat hij heeft. In mijn geval is dat geld.

Van een huwelijk kwam het niet.

Elayne had wel eens, vooral in de winter van 2001, seksuele toenadering gezocht, maar ik had verteld dat ik getroffen was door een ongeluk met een paard en dat ik daarom niet meer als man kon functioneren. Of zij dit werkelijk geloofde weet ik niet. Het gaat er niet om wat men werkelijk gelooft, maar waarmee men bereid is te leven.

Het hoogtepunt van onze relatie vond voor de verloving plaats. Juli 2001 reisden we naar Zwitserland en brachten we enkele dagen in Gstaad en Montreux door. Hoewel ik haar tijdens die reis geslagen heb, verbrak ze de vriendschap niet. Ze was zo sportief niet alleen haar eigen agressie uit te leven, ze kon ook die van anderen relatief goed verdragen.

Naarmate ze zieker werd nam haar jaloezie af.

Ze maakte zich de laatste maanden zorgen welke vrouw voor mij moest zorgen, na haar dood. De vrouwen die ze in het verleden in mijn gezelschap had ontmoet keurde ze allemaal af, inclusief mijn moeder. Hoewel ze wel een onverklaarbare liefde had ontwikkeld voor Baby Rat.

Ze was vast van plan, zodra haar gezondheid dat toeliet, om naar Italië af te reizen en daar een barones voor mij te zoeken, want als gezegd, ze bestreed de werkelijkheid met fantasievoorstellingen.

Aangezien ze twee keer op de Nederlandse tv was verschenen en dat haar uitstekend was bevallen, meende ze dat van deze zoektocht een documentaire moest worden gemaakt. Ze had zelfs al een vliegticket gekocht, zij het dat de vertrekdatum steeds verschoven moest worden, en ze meende dat ik wel voor camera- en geluidsmannen kon zorgen.

Die documentaire zou er voorlopig niet komen, dacht ik in mijn kamer in Trento.

Maar ik wist ook dat het eenzamer was geworden. In New York en daarbuiten.