De musical kan alles

In de kunstwereld heersen hardnekkige misverstanden. Het Cultureel Supplement doet in de zomermaanden een poging om deze te ontkrachten. Deze week: de musical.

1 De musical is een uitvinding van Joop van den Ende

Bij mijn weten was Joop van den Ende er niet bij, toen in 1927 op Broadway de musical Show Boat in première ging – algemeen beschouwd als de eerste echte musical aller tijden. Voordien waren er weliswaar al talloze revues en musical comedies gemaakt, maar daarin kwam het verhaaltje altijd tot stilstand zodra er werd gezongen. Als er al van een verhaaltje sprake was. Maar in Show Boat schiepen auteur Oscar Hammerstein en componist Jerome Kern voor het eerst een eenheid van muziek en tekst, waarin de songs dezelfde dramatische rol kregen als de monologen in het klassieke toneel. En daarmee was de basis gelegd voor de musical als voldragen theatergenre, hoewel er ook daarna nog honderden slechte musicals zijn gemaakt. Zoals er ook nog steeds slechte toneelstukken worden geschreven.

2 Goed, maar dan heeft Van den Ende het genre toch op zijn minst in Nederland geïntroduceerd

Ook dat niet. Het eerste internationale musicalsucces waarvan op volwaardig niveau een Nederlandse versie werd gemaakt, was My fair lady in 1960, met Wim Sonneveld als een voortreffelijke professor Higgins. Het ensemble was zelfs twee keer zo omvangrijk als in Londen en New York, maar dat kwam door het gebrek aan zangers die tevens konden dansen en dansers die ook konden zingen. De producenten (Willy Hofman en Piet Meerburg) moesten daarom dansers én zangers engageren. Daarna werden nog allerlei andere buitenlandse musicals in Nederland uitgebracht, ook door gesubsidieerde gezelschappen als Ensemble en het Nieuw Rotterdams Toneel, maar de flops waren talrijker dan de successen. Vanaf 1965 maakte het buitenlandse werk goeddeels plaats voor het cabareteske Nederlands fabrikaat van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Het internationale repertoire kwam hier pas weer terug, toen theater Carré in Amsterdam in 1987 zijn honderdjarig bestaan wilde vieren met iets bijzonders. En er was niets zo bijzonder als Cats, door Andrew Lloyd Webber gebaseerd op de kattenverzen van T.S. Eliot – al was het maar omdat die show zich als geen ander leende voor de ronde circuspiste. Het was geen toeval dat Joop van den Ende in het daaropvolgende jaar zijn eerste musical (Barnum) uitbracht: Carré had hem het gat in de markt gewezen en hij hield van het genre.

3 Maar de Nederlandse musicalmonopolist is hij wel

Bijna, maar niet helemaal. Ook andere producenten brengen musicals uit, maar meestal op een kleinere schaal. Die anderen vinden trouwens vooral emplooi in de sector van de familiemusicals (van Nijntje tot Pippi Langkous en Pietje Bell) waarin Van den Ende niet geïnteresseerd is. Hij richt zich vrijwel uitsluitend op het internationale repertoire. Aanvankelijk wilde hij zelfs toetreden tot de exclusieve cercle van producenten in New York en Londen, maar hun gevestigde belangen bieden weinig ruimte aan een nieuwkomer. Nu heeft hij zich voorgenomen de musicalmarktleider op het Europese continent te worden. In drie landen is hij dat al: in Duitsland, Spanje en Nederland.

4 Tijd om het over de inhoud te hebben. Een musical is een verhaal dat niet opschiet, omdat er telkens gezongen en gedanst moet worden

Dat is dan een slechte musical. In een goede wordt het verhaal dat in de dialogen is begonnen voortgezet in zang en dans. Het maken van een musical begint bij het script – in het Amerikaanse vakjargon book genaamd, zodat de schrijver van het book in Nederlandse recensies wel eens wordt aangeduid als de auteur van een boek waarop de musical gebaseerd zou zijn. Maar het book dat Arthur Laurents schreef voor West Side Story, was een script – en daaruit werden vervolgens de scènes gekozen, die zich beter zingend lieten vertellen. Of dansend, want in de choreografieën van Jerome Robbins worden de conflicten des te meer op de spits gedreven. Wie alleen de dialoogscènes van West Side Story zou spelen, houdt geen verhaal over.

5 Een musical is ook altijd kitscherig en melodramatisch

Welnee. Misschien is die indruk ontstaan omdat Van den Ende in Nederland zijn grootste successen heeft behaald met Les Misérables, The Phantom of the Opera en Miss Saigon – allemaal shows die het moeten hebben van bombast en allerlei negentiende-eeuwse theatereffecten, in combinatie met de high tech van een uit de nok van het theater neersuizende kroonluchter of een op het podium landende helikopter. Maar grootmeesters als George en Ira Gershwin, Cole Porter, Jerome Kern en Rodgers & Hammerstein schreven komedies of serieus te nemen drama, waaruit songs als Summertime, Someone to watch over me en vele tientallen andere voortkwamen die nog altijd worden gezongen. En, recenter: wat te denken van het satirische Evita, het melancholiek-mooie Anatevka of het harde, vinnige Cabaret?

6 In musicals wordt altijd matig gezongen en slecht geacteerd

In ondermaatse voorstellingen wel, ja. Nederland moet er nog steeds aan wennen dat de musical een medium is voor acteurs die redelijk kunnen zingen – en niet andersom. Engelse en Amerikaanse acteurs van het kaliber Pierre Bokma en Gijs Scholten van Asschat spelen graag in musicals. Hun grote kwaliteit is dat ze in hun rol blijven als ze zingen. Een van mijn mooiste musicalherinneringen is een Engelse versie van A Little Night Music van Stephen Sondheim, waarin de fenomenale actrice Judi Dench het fameuze Send in the clowns zong. Min of meer pratend in zichzelf, zonder enig vocaal volume, maar met alle in ironie verstopte verdriet dat haar personage op dat moment onderging. ,,Ik wil nog wel eens in een musical staan'', zei de dit jaar met een Louis d'Or bekroonde acteur Mark Rietman laatst in een uitgave van het Theater Instituut. Ik hoop dat hij intussen is gebeld.

7 Een musical is hetzelfde als een operette

Nee. Er is één cruciaal verschil: operettes werden geschreven voor klassiek geschoolde zangstemmen (ik gebruik de verleden tijd, omdat er geen nieuwe operettes meer worden gemaakt) en musicals niet.

8 Het lijkt tegenwoordig trouwens wel alsof overal een musical van wordt gemaakt

Ja, het aanbod van het komende seizoen omvat zelfs musicalbewerkingen van Turks fruit en Ti-Ta Tovenaar. Maar wat is ertegen? Ook veel films zijn op boeken of oude tv-series gebaseerd. Als het verhaal maar voldoende momenten bevat waarop de emoties hoog genoeg oplopen om te gaan zingen, kan de bijbel dienen als uitgangspunt voor Jesus Christ Superstar. En het beroemde boek over Don Quichotte als basis voor De man van La Mancha. Wat mij betreft: hoe beter de bron, hoe beter de musical.

9 Een musical heeft altijd een onbenullig verhaaltje

Noem (zie bij 8) de bijbel of de 400 jaar oude roman van Miguel de Cervantes maar een onbenullig verhaaltje. In sommige oude Broadway-musicals à la 42nd Street is het verhaaltje niet veel meer dan een excuus voor zo veel mogelijk mooie liedjes en lekkere showballetten. Maar die tijd is zo goed als voorbij. Aan alle betere musicals is jarenlang gewerkt door een scenarist, een tekstdichter, een componist en vaak ook een producent en/of regisseur. Als een musical in dramaturgisch opzicht rammelt, zal het publiek wellicht niet de precieze oorzaak weten, maar wel feilloos aanvoelen dat er iets niet klopt. ,,Musicals worden niet geschreven, maar herschreven'', zei de tekstdichter Sammy Cahn niet voor niets.

10 Ik hou niet van musicals

Dat kan. Maar eigenlijk kan het ook niet. Er zijn zo veel totaal uiteenlopende musicals – van Sweet Charity tot Passion, van Hair tot The Rocky Horror Show – dat zo'n mededeling vergelijkbaar is met: ,,Ik hou niet van boeken.'' Of: ,,Ik hou niet van films.'' Van alle musicals houden, dàt is pas onmogelijk.

Dit is de laatste aflevering uit de serie `Tien misverstanden over...'

Zie voor reacties op eerdere afleveringen: www.nrc.nl

    • Henk van Gelder