Foto Claire Witteveen

Laura H. doet haar verhaal: ‘Vertrekken was de grootste fout van mijn leven’

Reconstructie Laura H. is de bekendste Syriëganger van Nederland. Thomas Rueb sprak met haar en reconstrueerde haar verhaal.

Generaal Nouraldin wijst in de verte. „Zie je die lijn daar?” Het uitzicht reikt kilometers ver, over een grijsbruin Iraaks maanlandschap. Verderop de heiige contouren van gebouwen. „Voor die huizen daar. Ga met je blik naar beneden.”

Ik zie wat hij bedoelt. Dáár. Een lijn, een litteken in de bodem, slingert over de heuvels en dwars door een weg. Het is een tankgracht, met bulldozers gegraven. De frontlinie, zegt de generaal, de grens van het Koerdisch gebied met wat twee jaar geleden nog het kalifaat van Islamitische Staat werd genoemd.

Daar was het, zegt Nouraldin, dat op 12 juli 2016 een Nederlandse vrouw opdook met haar man en twee kleine kinderen. Eindelijk, denk ik. Na maanden zoeken heb ik iemand gevonden die zelf gezien heeft hoe Laura H. wegkwam uit het kalifaat. Iemand aan wie ik haar verhaal, waaraan zo lang is getwijfeld, kan toetsen.

„Tot daar reden ze”, zegt de generaal, wijzend op de geul, zijn ogen tot spleetjes geknepen. „Tot ze niet verder konden. Wij dachten aanvankelijk dat het IS-strijders waren.”

Nouraldin voerde op het hoogtepunt van de oorlog tegen IS zo’n vierduizend manschappen van de peshmerga aan, de Koerdische strijdkrachten in Irak. Zo ook de ochtend dat zijn eenheid vanuit IS-gebied een auto zag naderen. Met een tank werd het voertuig in het vizier genomen, Nouraldin stond klaar om het sein tot vuren te geven. Maar toen stapten de inzittenden uit.

„We zagen tot onze schrik een man met vrouw en twee kinderen”, zegt hij, „Ze zwaaiden met een witte vlag.” Maar in de verte naderden ook twee mannen op de motor. Ze waren gewapend met kalasjnikovs. „Daesh”, zegt generaal Nouraldin: IS-strijders. Met de tank liet hij op de mannen schieten. Een vuurgevecht ontstond.

Niet veel later lag de man gewond op de grond. De vrouw zette het met de kinderen op een lopen, één kilometer, twee, terwijl de kogels haar om de oren vlogen. Ze bereikte de andere zijde van de frontlinie, waar wij nu staan, een vesting met zandzakken gestut, en werd door de peshmerga in veiligheid gebracht.

De vrouw werd wereldnieuws. „I’m Laura,” zei ze luttele uren later op tv-zender Kurdistan24 in haar eerste en enige video-interview. „I was born in Den Haag and I lived in…” – je ziet haar een moment denken – „… in Sweet Lake City.”

Zoetermeer.

De weg waarlangs Laura H. en Ibrahim I. het kalifaat probeerden te ontvluchten. Ibrahim bleef gewond achter. De tankgracht door de heuvels markeert de toenmalige frontlinie.Foto Thomas Rueb

Havo

„Toetsweek is oké gegaan”, zegt zij vandaag in haar woonkamer. Laura H. (23), de bekendste Syriëganger van Nederland, doet nu de havo. Volgend jaar wil ze gaan studeren. Ze heeft Senseo-koffie gezet en scheurt het plastic van een pak koekjes. „Frans en geschiedenis gingen heel goed. Wiskunde… niet zo.”

Al na een paar schooldagen vond Laura een manier om tijdens de les haar enkelband op te laden in het stopcontact zonder dat haar klasgenoten iets in de gaten hadden. Bijna niemand op school weet wie ze is. Haar naam-met-letter is misschien een begrip, in het dagelijks leven wordt ze nauwelijks herkend.

Ik begrijp waarom. Ze oogt nog maar weinig als het meisje uit de beelden van haar Koerdische interview. Minder mager, minder bleek, maar vooral: geen hoofddoek. „Die heb ik de dag dat ik weer terug in Nederland kwam voor altijd afgedaan. Ik ben klaar met het geloof.”

Het is deze week precies één jaar geleden dat Laura H., als eerste vrouwelijke Syriëganger, werd veroordeeld. Twee jaar gevangenisstraf kreeg ze opgelegd, waarvan één voorwaardelijk. Omdat ze al een jaar in voorarrest had gezeten op de terroristenafdeling in Vught, hoefde ze niet terug de cel in.

Sinds de dag dat ze vrijkwam, sprak ik haar zo’n honderdvijftig uur. Ik interviewde familieleden en betrokkenen bij haar zaak, spitte duizenden pagina’s aan politiedossiers en andere documentatie door, en volgde haar spoor tot in Irak, naar de frontlinie waar ze ontsnapte en het huis in Mosul waar ze heeft gewoond. Het boek dat daarvan het resultaat is, verscheen ook deze week. Laura is te druk geweest om er al te veel bij stil te staan, zegt ze. Met school, de kinderen, spulletjes kopen. Ze heeft net een nieuwe PlayStation. „Gewoon druk met gewóne dingen,” zegt ze, „eigenlijk voor het eerst in mijn leven”.

Nachtmerrie

Haar leven in het kalifaat, zegt Laura, voelt als een soort droom – een nachtmerrie – die elke dag een stukje vager wordt. „De mensen die ik daar ontmoet heb, van wie velen niet meer zullen leven. Het geloof. De bommen. De keren dat ik bijna dood ben geweest – het voelt nauwelijks meer echt.” Ze haalt haar schouders op. „Het gekke is: toen ik daar was, voelde ik hetzelfde over Nederland.”

Om te begrijpen waarom ze het onbegrijpelijke deed – met haar echtgenoot Ibrahim en twee kleine kinderen naar Syrië vertrekken – moet je háár begrijpen, zegt ze, hoe ze toen was, wie ze was. „Niemand hoeft me te vergeven. Maar voordat mensen oordelen wil ik dat ze weten hoe het zit. Het is nooit mijn intentie geweest om wie dan ook kwaad te doen. Ik ben niet…”

Ze zwijgt even.

„Ik ben niet gevaarlijk. Vertrekken was de grootste fout van mijn leven. Al leert maar één iemand iets van mijn verhaal, dan is er tenminste nog iets goeds uit voortgekomen.”

De zelfverklaarde Islamitische Staat bezat op zijn hoogtepunt een gebied van 88.000 vierkante kilometer – ruim twee keer Nederland – en beschikte over een heel behoorlijke administratie. De dag dat Laura H. het kalifaat bereikte, is keurig gedocumenteerd. Met balpen, in een ringbandschrift dat door de Amerikaanse inlichtingendienst is veiliggesteld in een villa in Manbij, Syrië. De namen en gegevens van meer dan driehonderd vrouwen afkomstig uit veertig landen. Eén van hen: Laura, 19 jaar oud, aankomstdatum 24 september 2015.

 „Mijn eerste weken bracht ik door in een madafa”, zegt Laura. „Dat is een vrouwenhuis, met tientallen vrouwen van over de hele wereld. Het was er smerig, maar die eerste dagen waren we allemaal nog hoopvol.”

Ze herinnert zich het moment, met andere vrouwen in de bus naar Raqqa, de Syrische hoofdstad van het kalifaat, dat ze langs de weg parkeerden. In de wijde omgeving niets dan leegte. „Twee mannen stapten uit en liepen naar een bosje langs de kant van de weg. Ze begonnen vruchten van de takken te trekken.” Die deelden ze uit. „Sommige vrouwen begonnen te huilen van geluk. ‘Wanneer heb je dit nou ooit eerder meegemaakt?’ zei de vrouw naast me. ‘Dat een man vers fruit voor je uit de boom plukt, voor je neus, recht uit de natuur. Zo is het leven hier. Dit gebied is gezegend.’”

Drie weken later was iedereen ziek, hongerig en bedekt met luizen. Niemand mocht het huis verlaten. Er was te weinig drinkwater.

Op televisieschermen werden beelden vertoond van vechtende mannen met baarden, in formatie rennend door de woestijn, koprollend, ze deelden messteken uit in het luchtledige en maaiden met kalasjnikovs over eindeloze vlaktes. „Daar zaten de kinderen tot mijn schrik naar te kijken. Ik moest mijn dochter er telkens wegtrekken.” Haar zoon was vier maanden oud.

Privacy

Voordat ik Laura H. ontmoette had ik, net als andere journalisten, slechts haar stem gehoord. Het strafproces dat meer dan een jaar in beslag nam, bracht zij door in een grijze container midden in de rechtszaal om haar privacy te beschermen.

Nadat Laura na drie weken gevangenschap door de Koerden in Irak was overgedragen en geflankeerd door vijf marechaussees naar Schiphol was gevlogen, werd ze gearresteerd. Dat is protocol voor alle terugkeerders uit het strijdgebied. De NCTV, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, stelde in de media dat Laura mogelijk zou kunnen fungeren als een uithangbord dat het gevaar van jihadisme etaleerde. ‘Laura hard nodig bij jihadstrijd’, kopte De Telegraaf: zij kon jongeren bereiken die op het punt van radicaliseren staan.

Maar die zomer werd Laura H.’s voorarrest verlengd. En daarna nog eens, met negentig dagen. De teneur begon te veranderen. Ze weigerde met de politie te praten. En toen, op de eerste zitting in november, sprak de officier van justitie de woorden uit die van ‘Laura H.’ de beruchtste bekeerling van Nederland maakten, het Nederlandse Homeland-geval: „We kunnen niet anders dan uitgaan van het zwartste scenario,” zei officier Hofstee, „dat de verdachte in het strijdgebied betrokken is geweest bij IS en naar Nederland is gestuurd met een opdracht”.

BN’er – Laura had van dat hele woord nog nooit gehoord. Zo noemden de bewaarders in Vught haar de hele tijd: ‘Hee, BN’er! Hoe gaat het?’ Ze lacht. „‘Wat is dat?’ vroeg ik een van hen tenslotte. Hij begon te lachen. „Bekende Nederlander, natuurlijk!”

Pas na die eerste zitting kreeg ze door hoe groot ze eigenlijk in het nieuws was. Toen ze zichzelf aan talloze talkshowtafels besproken zag. „Ik mocht twintig uur per dag niet van mijn cel af op de terroristenafdeling”, zegt ze. „Dus ik zat elke dag, de hele dag, televisie te kijken. Voor mijn gevoel kwam mijn naam wel honderd keer voorbij. Ik wilde schreeuwen: ‘Ik ben geen terrorist! Ik wil alles vertellen!’”

Advocaat

Laura H.’s eerste advocaat, Judith Dijkstra, had haar met klem geadviseerd zich te beroepen op haar zwijgrecht. Geen slecht advies voor veel Syriëgangers: laat justitie maar bewijzen wat jij aan de andere kant van de wereld hebt uitgespookt.

„Zwijgen is een grote fout van mij geweest”, zegt Laura H. achteraf. „Toen ze zeiden dat ik een aanslag kwam plegen, is mijn vader voor mij op zoek gegaan naar een andere advocaat.” Dat werd Michiel Pestman. „Hij zei: ga nu metéén alles vertellen.” Over haar redenen om naar Syrië te vertrekken, hoe ze weer is teruggekomen – en over vroeger, hoe ze ooit als tienermeisje is bekeerd.

De eerste keer dat Laura H. een hoofddoek omdeed was ze vijftien jaar oud. Het was de eerste dag van het nieuwe schooljaar op het Stedelijk College in Zoetermeer. Een nieuwe klas. De hele zomer lang had ze geoefend op een verzonnen verhaal: nee, ze héétte niet Laura, maar Lamyae. Nee, ze was niet hier geboren, maar door haar ouders geadopteerd vanuit Marokko.

De jaren daarvoor was alles misgegaan. Ouders uit elkaar, broertje chronisch ziek, en wat begon als een verliefdheid liep, buiten het zicht van haar ouders, uit op loverboyachtige praktijken. Zij dertien jaar, de jongens, tientallen, waren ouder. „Ik ben aandacht bij de verkeerde mensen gaan zoeken. Daar werd misbruik van gemaakt. Ik voelde me tegen hen niet bestand, en elke keer had ik het gevoel dat ik de volgende keer nog minder recht had om ze te weigeren.”

Laura H.’s vader vertelde in 2017 in NRC voor het eerst zijn verhaal: ‘Ik hoopte dat ze een beetje menselijk was geëxecuteerd’

De hele school wist ervan. Ze werd genadeloos gepest. Laura de slet.

„Ik wilde iemand anders worden”, zegt ze. „Ik hoopte dat het pesten zou stoppen. Dat zeiden mijn vriendinnen ook. Als je wil dat ze je met respect behandelen, moet je een hoofddoek gaan dragen.”

Laura is het kind van een witte vader en een moeder van Surinaamse komaf. Toen ze klein was dachten de kinderen in de buurt dat ze ook Marokkaans was. Dat was de groep waar zij bij wilde horen. De jongens op wie ze viel.

„De hoofddoek moest ervoor zorgen dat ze me niet langer gebruikten”, zegt ze. „Naïef, maar even leek dat ook te lukken.”

Toen haar ouders erachter kwamen, werden ze woedend. En toen haar schoolgenoten hoorden dat Lamyae gewoon ‘die’ Laura was, durfde ze niet langer naar school. Ze werd in een jeugdinstelling geplaatst, liep weg, bleef een maand weg, kwam op tv-programma Vermist. Uiteindelijk belandde ze in een gesloten instelling in Almelo. „Van de imam die daar over de vloer kwam, heb ik voor het eerst leren bidden. Ik voelde me zo eenzaam. Dat hielp.”

Ibrahim

Laura leerde Ibrahim kennen op haar zeventiende, op datingsite Muslima.com. Ze woonde in een tienermoederhuis in Zoetermeer samen met haar eenjarige dochtertje, geboren uit een voorbije relatie, de vader niet langer in beeld.

„Ibrahim leek alles waar ik ooit naar op zoek was geweest”, zegt Laura. „Een zachtaardige jongen, welbespraakt. Een vrome moslim. Hij wilde precies hetzelfde als ik: rust, een gezinnetje stichten.” Na twee weken trouwden ze. Laura vertelde haar ouders, die ze nog maar weinig sprak, niets.

Toen ze achttien werd, gingen ze samenwonen in Leidschendam. Ibrahim deed weinig in huis. Hij bad en speelde games. En hij sloeg haar. Aanvankelijk af en toe, maar al gauw elke dag.

„Ik vind het zo ontzettend moeilijk om terug te halen hoe ik in die periode was”, zegt Laura. „Waarom ik bij hem bleef. Alsof ik over iemand anders praat. Ik was bang. De hele tijd, altijd, elke dag bang. Ik durfde nog geen glas water in te schenken, omdat ik bang was dat hij me zou slaan. Daarom ging het juist mis, liet ik weer iets vallen, en dan sloeg hij me.” Na afloop huilde hij meestal. „Dat hij dat ook niet wilde, maar dat ik hem dwong me te slaan.”

Soms kwam de politie eraan te pas, één keer zelfs gebeld door Ibrahims zussen. Ibrahim zelf had een loodzware jeugd gehad, vertelden zij mij, met van jongs af aan slachtoffer van brute mishandelingen door zijn eigen vader. In de jeugdgevangenis voelde hij zich prettiger dan thuis. Vanaf zijn achttiende begon hij zich, voor het eerst, voor het geloof te interesseren.

Lees ook een eerder verhaal in NRC, gebaseerd op gesprekken met Ibrahims zus Sarah en een jeugdvriend van hem: ‘O Ibrahim, wat heb je gedaan?’

„Ik denk soms aan hoe anders mijn leven was verlopen zonder hem”, zegt Laura. „Maar dan had ik mijn mooie zoon nooit gehad.”

Laura raakte in verwachting. De mishandelingen stopten niet. Toen ze van haar oma een rompertje kreeg met afbeeldingen van Nijntje erop moest ze van hem de oogjes eruit knippen. „Dat hoorde bij de regels van de islam, zei Ibrahim.” Het is verboden om bezielde wezens te verbeelden. „Dat was zijn islam.”

Ze hadden al vaker gesproken over hidjra, zegt Laura. „Dat betekent verhuizen naar een islamitisch land. Dat leek mij wel wat. Weg van mijn problemen hier. Ik ben zelfs op Facebook gaan chatten met andere Nederlanders in Egypte, Turkije, iemand in Dubai. Kijken of dat iets voor ons was. Zij begonnen over werkvisa, dat soort dingen. Begreep ik niets van.”

‘Waarom doe je dat?’ vroeg Ibrahim toen ze hem liet zien wat haar zoektocht had opgeleverd. „Hij zei: natuurlijk gaat dat zo niet lukken. Je kunt niet zomaar een ander land binnenlopen en denken dat je daar mag blijven. Tenminste, niet in gewone landen.”

Eén keer deed Laura aangifte tegen hem. Ze had zo hard geschreeuwd, dat de buurvrouw de politie had gebeld. Agenten troffen Laura aan op straat. Ze was gesluierd, en ze zweeg, maar de agenten zagen de bloedsporen rond haar oog, tekenden ze op in het procesverbaal.

„Ik weet niet eens meer hoe ik op straat terecht was gekomen”, zegt Laura. „Hij had me zo hard op mijn hoofd geslagen. Ze zeiden dat ik aangifte moest doen, dat ze anders niets voor mij konden betekenen.”

Ze luisterde. Instanties werden betrokken: VeiligThuis, Jeugdzorg, de gemeente. Ook de vader van haar kind werd op de hoogte gesteld, die na jaren afwezigheid ineens de voogdij eiste. „De instanties stelden mij eigenlijk voor een keuze: ga weg bij hem of jouw kind moet bij jullie weg. Achteraf hebben ze gelijk gehad, maar ik zag het toen niet. Ik dacht dat iedereen tegen mij was. Tegen ons was. Bij Ibrahim weggaan lukte me niet – ik sprak mijn ouders niet, had niemand meer voor mijn gevoel.”

Er was een derde oplossing, zei Ibrahim. „Hij zou dat regelen. Hij had contacten.”

Uitzicht uit het raam van Laura H. toen zij woonde in de Iraakse stad Mosul, in het voormalige kalifaat van Islamitische Staat.Foto Thomas Rueb

Mosul

Ik herken de moskee van de foto uit Laura H.’s politiedossier. Door haarzelf ooit gemaakt uit haar raam in Mosul, Irak. Witte koepels met azuurblauwe tegels. De eerste rij huizen tegenover de moskee is grotendeels verwoest. Ik zie het rompje van een pop tussen het puin. Was een van deze ruïnes haar woning?

Terwijl ik afwisselend naar de moskee en op mijn telefoon kijk, met op het scherm de foto, wandel ik achteruit. Foto, moskee, foto, moskee. Hier moet het zijn.

Haar huis staat nog.

De buitenmuren zijn pastelgeel geschilderd met daarop vrolijke tekeningen. Vlinders, bloemen, een windmolen. De muren verbergen een binnentuin met een hoge palmboom. Een tekst in het Arabisch, rood met blauw op de poort: het huis is nu een kinderdagverblijf.

Dit is waar Laura H. en Ibrahim hebben gewoond. Waarover ze me al die uren vertelde.

Het huis is groot. Reusachtig. Een paleis. Zelfs het wiegje van hun baby staat er nog, ik herken het witte ledikant van de foto’s – en kijk, daar is het raam met zicht op de moskee. De moskee zelf is onveranderd, net als de ruïnes daaromheen. De afgelopen twee jaar door niemand hergebouwd of opgeruimd. Ik maak mijn eigen foto. Ik herschep het beeld.

Hier, de blauwe badkamer met de echte douche. En dit is de slaapkamer waar Laura en Ibrahim samen hun ontsnappingsplannen smeedden, fluisterend, al kon niemand ze horen.

Niet vechten

„Ibrahim zou niet gaan vechten”, zegt Laura. „Ik geloofde hem. Hij behandelde me haast onmenselijk, maar hij loog niet tegen me. Ik wist totaal niet waar ik in terechtkwam. Ik heb zelfs nog een resort in Turkije uitgekozen met extra veel glijbanen. Dat leek me leuk voor de kinderen.”

Vanuit het resort in Alanya reisden ze naar Gaziantep, aan de Syrische grens. Daar renden ze met een aantal anderen een maïsveld door. Even later waren ze in Syrië. „We werden gelijk gescheiden”, zegt Laura. „Hij zei: ik ga trainen. Ik was in paniek, voelde me bedonderd. Maar toen kwam ik in dat vrouwenhuis en alle andere vrouwen zeiden dat dit een goede plek was.”

Na ruim een maand in verschillende vrouwenhuizen, werd Laura in de Iraakse stad Mosul herenigd met Ibrahim. Hij leek veranderd. „Hij had een kalasjnikov gekregen en een granaat. ‘Nu weet ik wat de ware islam betekent’, zei hij.” IS had hem in Mosul geplaatst voor een baan in een fabriek waar mortieren in elkaar werden geschroefd. „Voor het eerst sinds ik hem kende, leek hij gelukkig.”

Ibrahim hoopte, zo vertellen zijn vrienden, dat hij zijn vrouw in het kalifaat niet meer zou slaan. Na elke mishandeling was hij in tranen. Onder de sharia, de islamitische wetten, zou hij dat niet kunnen doen. „Ze hakken mijn handen eraf”, zei hij.

Die hoop was van korte duur.

Binnen een paar weken sloeg hij Laura weer, harder, genadelozer – en geen instantie die hier te hulp schoot. „Ibrahim zette zijn wapen op mijn hoofd, ik moest mijn gebeden zeggen. Ik wist zeker dat hij mij zou vermoorden.” Het kalifaat, zegt Laura, was de hel op aarde. „Ik zag niets dan ellende om me heen. Geweld, bommen, slavinnen – en ik leefde nog in een stad. Andere vrouwen die ik kende waren aan de frontlinie terechtgekomen.” Hun mannen stierven bij bosjes.

Het kost justitie bijna een jaar om uit te sluiten dat Laura H. met een opdracht van IS naar Nederland is gekomen. De vork bleek anders in de steel te zitten. Na twee maanden in het kalifaat had Laura hulp gezocht bij haar vader, Eugène, om weg te komen. „Dit is een groote [sic] fout geweest van mij”, appt ze naar hem op 5 januari 2016. „Help me.”

De Nederlandse regering helpt nooit met het terughalen van jihadisten. Dat is een formeel standpunt. Maar Eugène bleek toch hulp te hebben gekregen, van het Familiesteunpunt Radicalisering, een door de NCTV opgezette stichting. Zij brachten hem in contact met de Duitse radicaliseringsexpert Daniel Köhler. Eugène betaalde 10.000 euro.

Laura wist Ibrahim, zelf ook doodongelukkig in het kalifaat, te overtuigen samen met haar en de kinderen te vluchten: zonder begeleiding van een man werd ontsnappen onmogelijk geacht. Maar het plan dat Köhler bedacht – waarvan het Familiesteunpunt op de hoogte was – liep anders. Laura en Ibrahim strandden in de frontline, het ‘team’ kwamen ze nooit tegen.

Hoe ze wel ontsnapt is? Puur geluk.

Ibrahim bleef gewond achter. Over zijn lot is nog altijd onzekerheid.

Deze week was in het nieuws dat de Amsterdamse Syriëganger Sarah L. samen met haar baby is omgekomen bij een bombardement. „Natuurlijk denk ik dan: dat hadden ik en mijn kinderen kunnen zijn.”

Aan de Koerdische frontlinie kan generaal Nouraldin er niet over uit. „In heel deze oorlog”, zegt hij, „heeft niemand anders het in zijn hoofd gehaald om op klaarlichte dag met een auto de frontlinie in te rijden. Dit gebied is een…” Mijn vertaler zoekt naar het Engelse woord. „Het is een death trap.’”

Toen hij zag dat de vrouw met de kinderen het op een lopen zette, heeft hij een deel van zijn manschappen de frontlinie ingestuurd. Dat is óók verder niet gebeurd, zegt hij. „Zij hebben hun leven gewaagd voor die vrouw.” Hij knikt, duidelijk trots. „Hoe gaat het nu met haar?”

Bekijk ook de korte video, opgenomen in Irak, waarin Thomas Rueb uitlegt hoe Laura H. ontsnapte:

    • Thomas Rueb