Oud, maar niet afgedaan 1

Vorig jaar zijn 124.000 mensen ouder dan 50 jaar uit het arbeidsproces gestapt. Het hoofdartikel (NRC Handelsblad, 9 augustus) klaagt over een weerbarstige praktijk die zich maar niet wil voegen naar regeringsbeleid dat langer werken beoogt. Slechts één 68-jarige loonslaaf wordt opgevoerd als toonbeeld tegen de effecten van vergrijzing: de verantwoordelijke minister zelf.

Minister Brinkhorst is niet de eerste bewindsman die daar last van heeft. Maar zou het ook mogelijk zijn dat die duizenden geprepensioneerden een beter oog hadden voor de prioriteiten van vandaag de dag dan de minister, de beleidsadviseurs en de schrijver van het hoofdartikel, die allen ijveren voor langer werken?

Vergrijzing is slechts één aspect van de sociaal-economische problematiek en het verdelingsvraagstuk. Repetitieve industriële arbeid neemt af als gevolg van automatisering en delokalisering. Resulterende werkloosheid treft vooral laag en middelbaar opgeleide jongeren. Door mensen langer te laten werken kunnen nog minder jongeren aan de slag. Een nieuwe verloren generatie dreigt te ontstaan, onderhouden met uitkeringen die ruimte laten aan uitingen van afwijkend gedrag, tot vormen van godsdienstwaanzin en daaraan verbonden terrorisme.

Beter dan de beleidsmakers speelt de vergrijzende bevolking in op de noden en mogelijkheden van een postindustriële samenleving. Ouderen maken plaats voor jongeren die door betaalde arbeid hun positieve bijdrage kunnen leveren aan welvaart en welzijn. Ouderen zijn daarmee verre van afgedaan, maar kunnen zich toeleggen op andere waardevolle taken zoals hulp, zorg en sturing.