Indonesische kunstschatten

De Indonesische president en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken openden vandaag in het Museum Nasional in Jakarta de tentoonstelling Shared Cultural Heritage, die vanaf 17 december in de Amsterdam te zien is.

Tenslotte zijn de twee helften van de collectie van het Bataviaasch Genootschap dan weer even bijeen. De Indonesische president, Susilo Bambang Yudhoyono, en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Bernard Bot, openden vandaag in het Museum Nasional in de Indonesische hoofdstad Jakarta de tentoonstelling Shared Cultural Heritage, die vanaf 17 december a.s. ook in de Amsterdamse Nieuwe Kerk te zien zal zijn. De expositie heet dan anders: Indonesia, de ontdekking van het verleden.

Het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen is in Jakarta (toen Batavia) opgericht in 1778, toen Indië nog niet zozeer een kolonie van de Nederlandse staat was, maar onder gezag stond van de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie). Met name in de negentiende eeuw ontwikkelde het instituut zich tot een centraal punt waar de collecties van particuliere verzamelaars van Indische kunstvoorwerpen, door inlandse vorsten aan het Nederlands koloniaal gezag geschonken voorwerpen, de vondsten van expedities en oorlogsbuit tesamen kwamen. Het Genootschap verdeelde dan de voorwerpen over het eigen museum in Batavia (nu het Museum Nasional) en diverse locaties in Nederland. Bij de Indonesische onafhankelijkheid na de Tweede Wereldoorlog raakte ook de grootste verzameling Indonesische kunst- en cultuurvoorwerpen ter wereld definitief gescheiden.

Het plan voor deze tentoonstelling dateert uit 1995, vertelt de directeur van het Leidse Rijksmuseum, Steven Engelsman. Drie jaar geleden besloot het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken de financiering van het projekt op zich te nemen. De Indonesiërs waren vooral gebrand op de komst van de beelden en andere voorwerpen van het middeleeuwse Javaanse koninkrijk Singasari, door de huidige politieke leiders van het land veelal als een voorloper van het huidige Indonesië gezien. Van de uit Leiden aangevoerde beeldhouwwerken worden in Jakarta twee gipskopieën vervaardigd: een voor het Museum Nasional, en een om op de oorspronkelijke vindplaats te worden teruggezet.

Maar ook exponaten uit de buitengewesten van wat eens Nederlands Indië was, ontbreken niet, zoals Nieuw-Guinea en zelfs de voormalige Portugese kolonie Timor, naast meer voor de hand liggende locaties als Sumatra en Bali. Ook besteed de expositie aandacht aan enkele Nederlandse verzamelaars, zoals Anton Nieuwenhuis, de `Dr. Livingston van Borneo', die in de jaren 1890 de gezondheidszorg onder de Dayak-stammen poogde te organiseren. Een aanzienlijk deel van de verzameling is overigens oorlogsbuit van uit naam van het koloniaal bestuur uitgevoerde militaire expedities. Op koloniale veroveringsoorlogen werden veelal de paleizen van inlandse vorsten leeggeplunderd en de inhoud ervan deels naar Nederland verscheept.

Hoogtepunt voor het Indonesische publiek is zonder twijfel het beeld Arca Prajnaparamita; iedereen wil er voor of mee gefotografeerd worden. Dit in 1822 naar Nederland verscheepte beeld is echter al sinds 1978 terug in Jakarta, in het kader van een in 1977 tussen Nederland en Indonesië gesloten akkoord over de teruggave van cultureel erfgoed. Dit gebeurde ook met een deel van de befaamde goudschat van Lombok die, voor zover deze niet is verdwenen in de verzameling van de familie Suharto, straks in de Nieuwe Kerk te zien zal zijn. In ieder geval wordt culturele uitwisseling tussen Indonesië en Nederland niet meer bemoeilijkt door disputen over `roofkunst', zoals die bestaan tussen veel andere ex-koloniën en ex-kolonisatoren in de wereld.

    • Raymond van den Boogaard