Aankoop van Mondriaan is een raadsel

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft `Oostzijdse Molen' van Mondriaan gekocht. Geen onaardig ding, maar het is zeer de vraag of het een goed schilderij is, betogen Hans Janssen en Wim van Krimpen.

Het Rijksmuseum koopt een Mondriaan. Een molen, uit 1903 waarschijnlijk. Geschilderd toen Mondriaan zich net stevig in het Amsterdamse had genesteld en was doorgedrongen tot de kringen rond de familie Maris. Die telde mee, zeker in het Amsterdam van die jaren. En Mondriaan deed er niet onverstandig aan een marktaandeel te verwerven op de ook toen al overvolle Amsterdamse markt. Zo ging hij een zonnige toekomst tegemoet als verdienstelijk landschapsschilder.

Het schilderij laat precies het beeld zien waarmee dit soort schilders de markt veroverde. Een molen langs een dromerige vaart, onder langzaam voorbij drijvende wolkenluchten. Op de voorgrond zompige nattigheid. En spiegelingen, in het water, iets waar Mondriaan na 1906 een specialisme van ging maken. Links zijn wat wilgen te zien. Rechts de einder. Maar het is vooral de lucht, met langzaam voorbijdrijvende wolken, die het schilderij ruimte geeft, stilte en tijd. `Geen menschelijk beweeg', daar hield de kunstenaar niet van.

Volgens de titel die het schilderij kreeg van het Rijksmuseum, zou het gaan om een molen bij maanlicht. Dat is twijfelachtig. Er staat een maan boven de horizon, maar dat gebeurt ook wel om drie, vier uur 's middags, of om elf uur 's morgens, zo weet iedere natuurliefhebber. Wel helpt die maan het licht dat over het landschap ligt, stil en onbeweeglijk te maken, een beetje mysterieus. Het is een helder schilderij, zonder uitbundige contrasten. Met uitzondering van het mauve, dat vooral het riet op de voorgrond en de lucht kleurt. Als Willem Maris dat niet had uitgevonden, dan had Mondriaan het wel gedaan.

Het is helemaal geen onaardig ding, laten we dat vooropstellen. Maar het is de vraag of het echt een goed schilderij is, laat staan dat het functioneel is (het doek moet gaan functioneren in de gemengde opstelling van kunst en geschiedenis, ter ondersteuning van de geschiedenis van de 20ste eeuw). Het Gemeentemuseum Den Haag heeft dertien schilderijen en tekeningen met molens van Piet Mondriaan in zijn collectie. Die zijn zeker niet allemaal beter dan de `Oostzijdse Molen', maar ten minste zeven ervan zetten de trotse aanwinst van het Rijksmuseum toch wel een beetje in de schaduw. `Oostzijdse Molen bij maanlicht' is nou net het schilderij waarmee Mondriaan zijn naam als één van de grootste schilders van de 20ste eeuw niet zou hebben gevestigd. Het heeft niet de brille en de schilderkunstige allure van het werk waarmee de kunstenaar nationaal, en al snel ook internationaal, zijn naam vestigde. Mondriaans plaats in de schilderkunst van de 19de of 20ste eeuw kan dan ook met dit schilderij niet scherp worden gedefinieerd. Daarvoor is zwaarder geschut nodig.

Is dit dan de brug tussen twee belangrijke perioden, zoals het Rijksmuseum ons wil doen geloven? Is dat de functionele meerwaarde? Wij dachten van niet. Onder de zeven bijzondere schilderijen uit de collectie van het Gemeentemuseum met molens bevinden zich minstens twee exemplaren die óók die brug niet hadden kunnen slaan, maar die wel minder benepen geschilderd zijn. Het Gemeentemuseum toont de werken nooit omdat we van Mondriaan in dat genre er nog ongeveer veertig hebben, die op één of andere manier de voorkeur krijgen. We hebben te weinig ruimte om alles te kunnen tonen. Die twee zijn dus wel in orde, maar worden nooit getoond. En ze worden dus ook nooit gevraagd, door andere musea, voor tentoonstellingen of presentaties. Zo gaat dat. Ze hangen in de kelder.

Eén van die schilderijen had het Rijksmuseum zomaar, zonder dat wij daarvoor ook maar iets in ruil hadden willen krijgen, in langdurig bruikleen kunnen krijgen. Zo was een minder bekend, en nooit getoond onderdeel van de zo geroemde Collectie Nederland uit de kelders gekomen en onder de aandacht gebracht. Zo had de wens van het ministerie meer samenwerking tussen de musea tot stand te brengen, meer uitwisseling van de kunstschatten en meer vruchtbaar overleg, tot een eenvoudig en klinkend resultaat kunnen komen. Het aanbod, dat reëel gedaan is, werd van de hand gewezen. Het Rijksmuseum wilde een statement maken, zo was de boodschap.

Het lijkt er op dat Mondriaan `Oostzijdse Molen' schonk aan een vriendinnetje – één van de vele die hij er tot het eind van zijn leven op na hield, ondanks hardnekkige geruchten dat hij geen interesse had voor het vrouwelijke geslacht. Zo kwam het doek terecht in Denemarken. Kleinkinderen wilden het veilen, eind jaren negentig. Waarschijnlijk een erfeniskwestie. Er bleek in eerste instantie volstrekt geen belangstelling voor het doek. Het werd teruggenomen. Enkele jaren later probeerden de eigenaren het opnieuw. Een Nederlandse handelaar wist het schilderij die tweede keer wél te verwerven, tegen een hogere prijs dan de eerste keer geboden was, maar zonder zich, om het zo maar eens te zeggen, in de vingers te snijden. De rest van het verhaal is bekend. Voor ongeveer het drievoudige werd het nationaal kunstbezit.

Het gaat ons uitdrukkelijk niet om het bedrag dat het Rijksmuseum voor het schilderij heeft neergeteld. Dat zal wel kloppen. Het gaat er veel meer om dat de geschiedenis zich herhaalt. Want niet alleen de Mondriaans die in het buitenland verblijven worden door handelaren opgekocht en in triomf teruggebracht naar die Heimat. Dat is eerder al gebeurd met het leeuwendeel van de Haagse School, met werken van Mesdag, Maris, Roelofs en Weissenbruch.

Mondriaans oeuvre, zo kan iedere kunsthandelaar uitleggen, kent twee soorten werk. Niet het vroegere figuratieve en het latere abstracte, zoals iedereen zal denken. Dat is een ander verhaal. Nee, de tweedeling wordt op de internationale markt voor kunst gemaakt tussen het bruine, het sombere werk, de veelal donkere (avond)landschappen die Mondriaan maakte vóór 1908, en aan de andere kant zijn er de `blonde', luministische schilderijen die hij maakte ná 1908, samen met het kubistische en het abstracte werk, waarmee hij daarna internationaal roem oogstte. Het gaat hierbij om twee verschillende markten. Het latere werk kan voor exorbitante bedragen worden geveild, bij voorkeur in New York. Het eerdere werk vindt alleen liefhebbers in Nederland, waar het aardig aansluit bij de immer levendige markt van de Haagse School. Dat die tweedeling meer zegt over de markt dan over het oeuvre van Mondriaan zal duidelijk zijn. Maar de `Oostzijdse Molen' hoort tot het eerste genre. Het is niet voor New York bestemd maar voor Amsterdam, zullen we maar zeggen.

Alleen in die zin sluit `Oostzijdse Molen' aan op de Haagse School. Want esthetisch gezien maakt de presentatie op Schiphol duidelijk dat er een kloof gaapt tussen de wereld van de Haagse School en die van Mondriaan. Maar markttechnisch is er inderdaad een grote overeenkomst. Tot na de Eerste Wereldoorlog werd de Haagse School internationaal gezien als een belangrijke stroming, die niet onderdeed voor vergelijkbare scholen in Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten of waar dan ook. Musea in London en Glasgow, New York en Chicago, Toronto en Dublin waren trots op de door hen bewaarde schilderijen van de Haagse meesters. Geëmigreerde Nederlanders schonken hun schilderijen aan de nationale musea van de landen waar zij een nieuw leven hadden opgebouwd. Ook de Nederlanders zelf waren trots op de Haagse School. Het was een niet onbelangrijke bijdrage van Nederland aan de kunstgeschiedenis.

Totdat handelaren na de Tweede Wereldoorlog doorkregen dat er geld te verdienen viel met het terughalen van die Haagse School naar Nederland. Niet alleen werden de boedels van emigranten afgestroopt, ook op veilingen in alle uithoeken van de wereld werden jarenlang de hoogste prijzen geboden door Nederlandse handelaren. Zonder dat die zich een buil vielen, overigens. Op die manier werd het cultureel erfgoed teruggetransporteerd naar Nederland. Daar is op zich niets mis mee, maar wel ontstaat zo een situatie waarin de internationale waardering voor een stroming of een school vanzelf afneemt – bij particuliere verzamelaars, bij internationale handelaren en bij internationale musea. Met regelmaat worden wij nu aangeschreven door dezelfde musea die zich vroeger voorstonden op hun bezit, met vragen over de werken van Jacob Maris, van Jozef Israëls, van Willem Roelofs en van J.H. Weissenbruch in hun verzameling. Het zijn vreemde eenden in de bijt geworden, en nog net wordt de vraag ingeslikt of we de laatste restanten van al die internationale waardering niet voor een habbekrats over willen nemen.

Wat zegt dat nu over Mondriaan, en over de recente aanwinst van het Rijksmuseum? Of, met andere woorden: welk statement maakt het Rijksmuseum nu met deze aankoop? `Oostzijdse Molen' hoort onmiskenbaar thuis in de categorie van de vroege, donkere Mondriaans, ook al is het schilderij op zichzelf helder van toon. Het is een voorbeeld van de Mondriaan waarvoor in het buitenland weinig belangstelling bestaat. Dat is onterecht, want het is een oordeel dat gevormd is door een strikt modernistische bril. Het is jammer dat met de aanwinst van het Rijksmuseum opnieuw een vroege Mondriaan aan het internationale circuit is onttrokken, en dat daarmee de belangstelling van de internationale markt nog verder eenzijdig gericht wordt op het modernistische werk. Het zal het begrip voor het oeuvre van de kunstenaar als geheel geen goed doen. En het Rijksmuseum niet.

Nogmaals, wij misgunnen het Rijksmuseum zijn eigen Mondriaan allerminst. Wij vragen ons alleen af wat het Rijksmuseum er mee wil. Is het de vrucht van de nieuwe wegen die het aankoopbeleid zal gaan inslaan, in het verlengde van de nieuwe inrichting van de vaste opstelling? Het Rijksmuseum is voor de nieuwe presentatie van kunst en geschiedenis op zoek naar versterking van de collectie. ,,Een krachtige verbeelding van de 20ste eeuw, met daarin ook ruimte voor de ontwikkelingen in de 21ste eeuw behoort tot de meest uitdagende ambities van Het Nieuwe Rijksmuseum'', zo lezen we. Is `Oostzijdse Molen' de uitkomst van die ambitie? Dan houden wij ons hart vast. Want het schilderij past perfect in het uiterst conservatieve aankoopbeleid van het Rijksprentenkabinet, dat al decennialang louter behaaglijk figuratieve kunst voor verwerving in aanmerking laat komen, ervan uitgaande zo een aanvulling te vormen op de nieuwlichterij van de musea voor moderne kunst van ons land. Het wordt niet aan de grote klok gehangen, maar zo staat het er voor in ons Rijksmuseum.

Het Rijksmuseum, zo lezen wij, zal zich na 2008 nog sterker profileren als het nationale museum voor kunst én geschiedenis. Dat is de boodschap. Om die reden wordt niet alleen de 20ste eeuw, maar ook de 19de en de 18de eeuw gezien als verzamelgebied. Eerder werd al een Claude Lorrain en een Tiepolo gekocht, als versterking van de 17de en de 18de eeuw. Maar zij zullen van het Rijksmuseum nooit een Louvre maken, ook niet `aan de Amstel'. De `Oostzijdse Molen' maakt van het Rijksmuseum nooit een Stedelijk, nooit een Kröller Müller of een Gemeentemuseum, musea die al zestig tot honderd jaar bezig zijn de 20ste eeuw te verzamelen en te ontsluiten.

Dus: wat is nou het statement? Het lijkt ons dat het Rijksmuseum, wil het in het orkestje van de moderne kunst verzamelende musea van ons land een partijtje mee gaan blazen, met hele goede argumenten zal moeten komen. Want de brug die hier geslagen wordt tussen 19de en 20ste eeuw mag die naam niet hebben, zeker niet in het licht van wat de Collectie Nederland al ruimschoots kan laten zien. Ook mag het geen aanvulling worden genoemd. Zelfs het Stedelijk Museum en het Noord-Brabants Museum kunnen betere molens laten zien. Van Mondriaan.

Wat is het dan? Territoriumdrang? Powerplay? Dat laatste moet genuanceerd. Want het is geen powerplay in collectievormende zin, dat zal inmiddels duidelijk zijn. `Oostzijdse Molen' wijst hoe dan ook terug naar de 19de eeuw en is van geen kant de ,,krachtige verbeelding van de 20ste eeuw'' waar de directeur van het Rijksmuseum op uit is. Daarvoor moet je uitdagender ambities koesteren, en op zoek gaan naar een schilderij dat in de buurt van Rembrandt en Vermeer de Nederlandse traditie van het realisme voortzet, nieuw leven inblaast en ook nog eens een hele eeuw historisch aanschouwelijk maakt. De aankoop van de molen is een bewijs temeer dat hij de kunst van de 20ste eeuw, ook als die bedoeld is ter ondersteuning van de historische presentatie, beter aan de musea voor moderne kunst kan overlaten.

Hans Janssen is conservator moderne kunst van het Gemeentemuseum Den Haag. Wim van Krimpen is directeur van dit museum.

    • Wim van Krimpen
    • Hans Janssen