Eindelijk klare wijn

Een klein volk komt grondig geplunderd uit vijf jaar oorlog en bezetting tevoorschijn. Terwijl het nog volop bezig is met zijn eigen reorganisatie en het opruimen van de verwoestingen, raakt het verwikkeld in een oorlog aan de andere kant van de aarde. In de loop van de volgende vier jaar handhaaft het daar, tegen de goede raad van zijn beste bondgenoten in, een leger van tussen de 150.000 en 200.000 man. Is dit, als je geen nadere bijzonderheden kent, niets weet van de wordingsgeschiedenis en de afloop, dus louter opzichzelf bekeken, niet een bewonderenswaardige prestatie? Op z'n minst vergelijkbaar met wat de Amerikanen nu in Irak aan het doen zijn? Dat zijn `wij' als tegenpartij in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Louter naar betoon van energie en volharding gemeten, heeft Nederland daar een weergaloze prestatie geleverd. Maar het heeft niet zijn zin gekregen.

Vandaag is het zestig jaar geleden dat de Republiek Indonesia zich onafhankelijk verklaarde. Onze minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot, is bij de feestelijkheden aanwezig. In een rede ter herdenking van de bevrijding van wat hier in 1945 Nederlands Oost-Indië werd genoemd, zei hij dat het er ,,nu in de eerste plaats om gaat, de Indonesiërs eindelijk klare wijn te schenken. (...) Ik zal met steun van het kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken, dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato – dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden.'' In morele zin sluit hij zich aan ,,bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. (...) Door grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. (...) Pas wanneer men op de top van de berg staat, kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest.''

Eindelijk klare wijn. Na zestig jaar mag dat wel. Er wordt wel spijt betuigd over de politionele acties, maar geen excuus gemaakt. Is dit laatste noodzakelijk? Kun je schuld betuigen voor de daden van het voorgeslacht? Misschien is het een gratuit gebaar. De verantwoordelijke Nederlandse politici zijn dood, en hun beleid met alle gevolgen wordt door verontschuldigingen niet ongedaan gemaakt. Maar met een excuus laat je ook weten dat je dit verleden niet voor je rekening wilt nemen. Dan is het ook een definitief distantiëren, het openlijke en laatste bewijs van goede wil. In die betekenis heeft het wel zin, en daarom vind ik het jammer dat het kabinet in deze spijtbetuiging is blijven steken.

Afgezien daarvan kunnen we nog eens proberen te onderzoeken waarom het zo lang heeft geduurd voor we de zeventiende augustus als de geboortedatum van de Republiek hebben erkend, en daarmee – misschien – de laatste periode van dekolonisatie het officiële sluitstuk hebben gegeven. Is dat opnieuw nodig, na alle geschiedschrijving, memoires, onthullingen en biografieën? Is er nog iets dat níet bekend is over de lange, pijnlijke worsteling in Nederland, die de Indonesische strijd voor de onafhankelijkheid heeft begeleid? Hebben we de `Indonesische tragedie, treurspel der gemiste kansen' (zoals Jacques de Kadt het heeft genoemd) nog niet `verwerkt'? Waardoor is het gekomen dat het zestig jaar heeft geduurd voor we in staat zijn, te zien wat in de woorden van de minister, ,,de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest''?

Er waren ruim voor de oorlog in Indonesië en in Nederland veel mensen, niet alleen overtuigde revolutionairen, ook gematigde hervormers, die al een heel behoorlijk beeld hadden van deze kortste weg. Maar in de jaren twintig en dertig waren de verhoudingen hier dusdanig dat ze op zijn best als verdachte elementen werden beschouwd. In Indonesië liepen ze een niet geringe kans in Boven Digoel te worden geïnterneerd, in Nederland waren ze niet in staat de publieke opinie te bereiken. De rede van koningin Wilhelmina op 7 december 1942 over de gelijkwaardige plaats van Indië binnen het koninkrijk was theoretisch wel een vooruitgang, maar het zelfbeschikkingsrecht werd er niet mee erkend.

Na de Japanse capitulatie brak een chaotische overgangstijd aan. Die gaf het kabinet-Schermerhorn de rechtvaardiging, de troepen te sturen die de orde moesten herstellen. Tegelijkertijd en daarna in toenemende mate werden de werkelijke Nederlandse bedoelingen duidelijk. Met de onafhankelijkheid volgens de Indonesiërs zelf had Den Haag niets te maken. Soekarno was in de Japanse bezetting een collaborateur geweest, een soort Mussert in de tropen. Buitenlandse vrienden (Lord Mountbatten) en de Nederlandse oppositie konden praten als Brugman. Het hielp niet. Eerst moest de Gordel van Smaragd van Soekarno en zijn companen worden bevrijd. Dan kon er worden gepraat over gelijkberechtigdheid in het koninkrijk, volgens het Haagse concept.

Zelfs dit praten ging sommige Nederlanders te ver. Tekenend voor de sfeer in die tijd is, dat P.S. Gerbrandy, in de oorlog de onversaagde minister-president van de regering in Londen, en Ch.J.I.M. Welter in 1947 ernstig hebben overwogen met militaire hulp een staatsgreep te plegen, om te voorkomen dat het koninkrijk verkwanseld werd. Gerbrandy overlegde met generaal H.J. Kruls. ,,Ik heb hem de vraag gesteld waar of hij dacht dat hij en ik binnen 24 uur na een dergelijke stunt zouden zijn en hem daarna tevens mijn antwoord gegeven: veilig op het politiebureau.'' De generaal, ook geen uitgesproken progressief, was verstandiger.

Zestig jaar later wordt 17 augustus in Den Haag voor het eerst erkend als de dag van de Indonesische onafhankelijkheid. Consequent geredeneerd ontbreekt er nog iets: dat Nederland, de verkeerde denkbeelden van zijn toenmalige leiders volgend, één van zijn grootste naoorlogse krachtsinspanningen vergeefs heeft geleverd, èn de erkenning dat degenen die zich toen hebben verzet, het bij het goede eind hadden.