Lofzang op de industrie

Gloeiende ovens en vloeibaar glas, gesmolten metaal en staven ijs, vermoeide fabrieksarbeiders en groezelige mijnwerkers, een brand in een boortoren en een bruinkoolgroeve in de winter. Zijn leven lang is de schilder Herman Heijenbrock (1871-1948) door de industrie geboeid geweest. Hij schetste en schilderde direct in de fabriek – zijn schildersezel en andere benodigdheden nam hij mee in een flinke rugzak – en ving de gloed van het vuur met pastelkrijt op zwart papier.

Het oeuvre van deze zeer productieve `industrieschilder', zoals hij werd genoemd, is met ruim 400 doeken goed vertegenwoordigd in de collectie van het Gemeentemuseum Helmond. Dat is geen toeval: dit is het enige museum in Nederland dat zich qua verzamelgebied toelegt op het thema `mens en werk'.

Naar aanleiding van een recente schenking van nog eens ruim twintig schilderijen door een particulier heeft het museum nu een overzichtstentoonstelling ingericht met 150 van Heijenbrocks werken.

,,Een vernieuwer in de kunst was hij niet'', zegt conservator Annemiek Hoogervorst, ,,maar zijn werk is historisch wel van belang wegens zijn onderwerp. Foto's waren er toen niet of nauwelijks, of alleen verstild. Door Heijenbrocks schilderijen en tekeningen krijg je een goed beeld van hoe het in de fabrieken eind negentiende, begin twintigste eeuw toeging. Zo is het aan hem te danken dat we een afbeelding hebben van de eerste sigarenvormmachine en van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek. Hij toont ons het vaderlandse bedrijfsleven in allerlei facetten vóór de opkomst van de fotografie.''

Tussen 1900 en de Eerste Wereldoorlog heeft Heijenbrock veel gereisd langs fabrieken en mijnen in Engeland, België en Duitsland. Toen hij trouwde, kwam hij in het deftige milieu van zijn vrouw terecht in het Gooi, en maakte er kennis met onder andere de schrijvers Van Eeden en Roland Holst.

Heijenbrock hield naast zijn schilderwerk ook lezingen, onder andere één met de veelzeggende titel `Schoone nuttigheid of nuttige schoonheid', waarvan de aantekeningen op de expositie te zien zijn. Af en toe veroorloofde hij zich een uitstapje naar andere, minder geëngageerde onderwerpen: een poëtische wolkenstudie, een pastel van een zonsopgang in de polder, een lieve schets van zijn dochtertje, een paar stemmige interieurs, zelfs een affiche.

Maar als socialist had Heijenbrock wel een missie: zijn werk moest bij de kijker waardering en begrip voor arbeid oproepen. Hij gelóófde er ook in: ja, het werk dat hij afbeeldde was zwaar, smerig, lawaaierig en zeker niet ongevaarlijk, maar de industrialisatie zou wél voorspoed en welvaart brengen. Dat die welvaart vervolgens oneerlijk werd verdeeld – tja, dat was niet de schuld van de techniek, toch? Hij beeldde dan ook zelden of nooit ellende of conflict af; op een doek als dat van de Fransman LeJeune dat in de vaste opstelling over werk in het museum hangt een jonge arbeider wordt verteerd door twijfel of hij aan een staking moet meedoen terwijl zijn vrouw en kindje huilend aan zijn arm hangen liet hij zich niet betrappen. Heijenbrock was meer de man van de lofzang dan van de aanklacht.

Daarom richtte hij ook in 1923 het Museum van de Arbeid op, eerst in het Gooi en vanaf 1928 in Amsterdam. Hij kreeg zelfs een grote expositie in 1931 in het Stedelijk. De collectie was met 5.000 objecten en 600 schilderijen (door hemzelf) aanzienlijk.

De stichter ontdekte toen dat er nogal wat `arbeid' nog onvertegenwoordigd was in de collectie en hij toog aan het werk. Hij schilderde een man die in 1930 onder een prototype van een (reusachtige) hoogtezon ligt, en een vrouw die aan het stofzuigen is, en hij maakte een schilderij, haast een portret in olieverf, van een transportvliegtuig. Op een korte documentaire die het museum over hem heeft laten maken, halen zijn kleinkinderen herinneringen op aan onder andere het museum van opa: ze mochten er spelen, maar hij legde hun nooit iets uit.

Na zijn dood in 1948 is een deel van Heijenbrocks collectie verkocht aan het Openluchtmuseum in Arnhem; de rest bleef in het museum dat de basis vormde voor het Nederlands Instituut voor Nijverheid (NINT), dat op zijn beurt later het NEMO werd. Zo is de cirkel weer rond: het was het NEMO dat enkele jaren geleden die 400 werken van Heijenbrock aan het Helmondse museum verkocht.

Herman Heijenbrock, t/m 18 sept. in Gemeentemuseum, Boscotondohal, F.J. van Thielpark 7, Helmond, di t/m vr 10-17u, za/zo 13-17u.

    • Tracy Metz