Weinigen gaan door in andere stad

De studentenbond ISO vindt de nieuwe bama-structuur mislukt. Slechts weinig masterstudenten gaan naar een andere universiteit.

Het belangrijkste doel van het uniforme Europese bachelor-masterstelsel is dat prestaties vergelijkbaar zijn. De tweedeling in het systeem, de `knip', is aangebracht zodat iedere student een studieprogramma kan samenstellen op basis van eigen talenten en belangstelling. Het was de verwachting dat veel studenten zouden `verhuizen' na hun bachelor.

Na een Nederlandse bachelor kunnen studenten zich aanmelden voor een master aan de Nederlandse universiteit die uitblinkt in een specifieke vakgebied, of (een deel van) een master volgen aan een buitenlandse universiteit. Uit een deze maand gepubliceerd onderzoek van de organisatie Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) blijkt echter dat 79 procent van de derdejaars universitaire bachelorstudenten een master op de eigen instelling wil volgen.

Ongeveer 12 procent denkt aan een master op een andere instelling, en 9 procent denkt aan een master verdeeld over de eigen instelling en het buitenland. Volgens de vorige week verschenen WO-monitor, een tweejaarlijkse terugblik door de vereniging van universiteiten VSNU, zijn afgestudeerden met banen in het buitenland tevredener over hun werk en verdienen zij meer. De studenten met buitenlandervaring tijdens hun studie zijn vaker werkzaam in het buitenland dan studenten die altijd in Nederland zijn gebleven. Het onderzoek is gebaseerd op gegevens tot en met 2003.

ISO-voorzitter Evelien van Roemburg was vooral verrast over de redenen van studenten om bij hun `bacheloruniversiteit' te blijven: de grootste groep, 38 procent, had als belangrijkste reden het opgebouwde sociale leven niet op te willen geven. Daarna volgen praktische redenen: het is volgens 28 procent teveel regelwerk om naar een andere universiteit te gaan. Daarbij doelen ze op zaken als huisvesting en vervoer, maar ook over de toelatingsprocedures van de andere universiteiten. Volgens Van Roemburg is het voor veel studenten onduidelijk in hoeverre hun opgedane kennis voldoet aan de eisen van een master op een andere universiteit.

De derde categorie bestond uit 20 procent studenten die uit inhoudelijke overwegingen een master aan de eigen universiteit wilde volgen. Ze kozen dan voor specifieke vakken en docenten met een goede reputatie binnen het vakgebied. Dan is er nog een restgroep die er niet goed over heeft nagedacht.

,,Met slechts 20 procent studenten die hun keuze echt op het onderwijsaanbod baseren is de BaMa een farce'', vindt Van Roemburg. ,,Het stelsel gaat niet mislukken, het ís al mislukt. Het is hetzelfde als het oude doctoraalstelsel, met als enige verschil dat er een knip in is aangebracht.'' ISO wilde een onderzoek doen onder bachelorstudenten in alle studiejaren, maar kwam er al snel achter dat de derdejaars heel anders over hun masterkeuze dachten dan de eerstejaars. ,,De eerstejaars zijn positief en ambitieus, maar in het derde jaar zijn studenten er inmiddels achtergekomen dat het niet zo eenvoudig is om over te stappen'', aldus Van Roemburg.

ISO vindt dat de universiteiten zich nadrukkelijker moeten profileren, ,,zodat er ook echt iets te kiezen valt'' en het praktische regelwerk de moeite waard is. Ze noemt daarbij als voorbeelden een nadruk de combinatie van bèta- en gamma-onderwijs, bepaalde vakgebieden of een keuze als die van de universiteit van Leiden om zich te onderscheiden met strengere selectie van studenten. ,,Het moet niet zo zijn dat twee masters op verschillende universiteiten in slechts twee of drie vakken verschillen.''