Pak ook de dekolonisatie van het onderwijs aan

De uitspraak van minister Bot dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945, is een stap in de goede richting, menen Gert Oostindie en Henk Schulte Nordholt.

Op 17 augustus 2005 is het zestig jaar geleden dat Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië uitriepen. De vier jaren die volgden stonden in het teken van strijd en diplomatie en van weinig wederzijds begrip. Tekenend voor de verhoudingen was dat Indonesië de Nederlandse militaire interventies als agressie van een buitenlandse mogendheid bestempelde, terwijl het Nederlandse kabinet dit ingrijpen politionele acties noemde, omdat het in zijn visie om een binnenlands conflict ging. Onder druk van de internationale gemeenschap, maar ook omdat het niet meer mogelijk bleek de kolonie opnieuw onder controle te brengen, zag Den Haag zich uiteindelijk genoodzaakt de soevereiniteit van de Verenigde Staten van Indonesië te erkennen. Dat gebeurde formeel op 27 december 1949. Sindsdien zijn beide landen het over heel veel oneens gebleven, zelfs over de datum van hun breuk.

Nederland deelt met Indonesië – of men dat nu leuk vindt of niet – een koloniaal verleden. Indonesië heeft er meer van geërfd dan men daar bereid is toe te geven. In Nederland wordt tamelijk moeizaam met dit verleden en de afwikkeling ervan omgegaan. Jarenlang was Nederland niet in staat om met het onafhankelijke Indonesië een nieuwe, op de toekomst gerichte relatie aan te gaan. Opeenvolgende kabinetten konden niet de grootheid opbrengen om president Soekarno voor een staatsbezoek uit te nodigen – menig schoolkind zong in die dagen: ,,Wat doen we met Soekarno als hij komt, als hij komt. We hakken hem in mootjes als hij komt.'' Opeenvolgende kabinetten konden het maar niet opbrengen om de datum van 17 augustus 1945 te erkennen als het moment waarop de Republiek Indonesië geboren werd.

Die verongelijkte terughoudendheid was er mede de oorzaak van dat het staatsbezoek van koningin Beatrix in 1995, nu dus tien jaar geleden, op een fiasco uitdraaide. Tot begrijpelijke irritatie van Jakarta landde de vorstin net een paar dagen ná de 17de augustus in de voormalige kolonie. Het kabinet-Kok verzuimde dus haar juist óp die dag het voor de hand liggende gebaar te laten maken. Aan Indonesische zijde heerst groot onbegrip over het hardnekkig vasthouden aan 'december 1949' en over de kennelijke onwil van Nederland om `augustus 1945' als beginpunt van de republiek te erkennen. Alsof de onafhankelijkheid van Indonesië een gunst van de Nederlanders was in plaats van een overwinning van de Indonesiërs.

Wij zijn nu zestig jaar en minstens twee generaties verder.

Het bezoek van minister Bot aan Indonesië deze week om de viering van 60 jaar onafhankelijkheid in Jakarta bij te wonen, is een belangrijke stap in de goede richting. In de toespraak die hij vandaag hield ter gelegenheid van de 15 augustus herdenking bij het Indië-monument, verklaarde de minister dat ,,in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945''. In Jakarta zal hij verklaren dat Nederland 17 augustus 1945 politiek en moreel aanvaardt als begindatum van de Indonesische onafhankelijkheid. Dit mag gezien worden als een belangrijke doorbraak in het Nederlandse beleid ten aanzien van Indonesië die de weg openen naar een volwassen relatie tussen de twee landen. Dit zou ook een positieve bijdrage kunnen leveren aan de dekolonisatie van de Nederlandse geschiedschrijving over ons koloniale verleden.

Dat laatste is geen overbodige luxe, gezien recente ontwikkelingen in ons eigen geschiedbedrijf. Enkele jaren geleden werd het fraaie initiatief genomen om het koloniale verleden van Nederland in de Indonesische archipel tot eindexamenstof geschiedenis voor het middelbaar onderwijs te maken. Misschien gedreven door politiek correcte motieven kozen de leerstofschrijvers voor de titel `Nederland en Indonesië, vier eeuwen contact en beïnvloeding'.

Een nogal a-historische titel. Niet alleen omdat in de 18de eeuw nog geen Nederland en tot halverwege de 20ste eeuw geen Indonesië bestond. Maar vooral omdat een koloniaal regime zich moeilijk laat vatten in eufemistische termen als `contact en beïnvloeding' die een soort van vrijwillig aangegane relatie suggereren. Het uitgangspunt was dus aanvechtbaar. De uitwerking bleek gelukkig een stuk beter dan de titel deed vrezen.

In 2007 en 2008 is de koloniale geschiedenis in Indië opnieuw eindexamenstof. Het is schokkend te moeten constateren dat intussen geen inhoudelijke vooruitgang is geboekt. Integendeel, wanneer we de stofomschrijving doorlezen, moeten we concluderen dat sprake is van een verbijsterende regressie. De commissie die het leerpakket opstelt, wenst aan te sluiten bij de lopende discussies in eigen land over de canon en legt daarom meer nadruk op de Nederlandse dimensie.

Centraal staan dus de Nederlanders en hun daden. De Indonesische archipel dreigt het decor te worden, terwijl de Indonesiërs vrijwel geheel gereduceerd worden tot figuranten en passieve objecten in hun eigen geschiedenis. Dit is koloniale geschiedschrijving in optima forma, zoals die kort voor de val van `ons Indië' in de schoolboekjes stond en een sfeer opriep van ,,Daar werd wat groots verricht!''

Dit achterhaalde beeld van de geschiedenis staat in geen enkele verhouding tot de inzichten die in de afgelopen decennia in het vakgebied zijn ontwikkeld. Een exclusieve focus op de daden der Nederlanders zal verhullen dat de Aziatische wereld een volstrekt eigen dynamiek had waarin de Nederlanders eerder werden opgenomen dan dat zij er de eerste viool speelden.

Als wij de Hollandse bril niet afzetten, krijgen we geen beeld van de ontwikkeling van multiculturele handelssteden en migratiestromen, evenmin van de ontwikkeling en betekenis van de islam daar, etc. En zal er ruimte zijn voor de cruciale vraag wat het kolonialisme betekende voor de voorouders van de Indonesiërs van nu? Wij vrezen het ergste.

Zestig jaar nadat de Indonesiërs hun onafhankelijkheid uitriepen, moeten onze kinderen zich in de naam van de canon kennelijk een `vaderlandse' wending eigen maken.

Kunnen wij onze scholieren werkelijk niets beters voorzetten dan een opgewarmde portie koloniaal navelstaren? Moeten zij nu werkelijk weer worden gesterkt in dat kortzichtige idee dat wij ook dáár de navel van de wereld waren? Was het bovendien niet díé mentaliteit die zulke inschattingsfouten veroorzaakte ten aanzien van `ons Indië', met als een van de laatste dieptepunten de bizarre bijziendheid rond de 17de augustus?

Andersom: kunnen Indonesiërs uit zo'n visie op de geschiedenis een andere conclusie trekken dan dat Nederland zich eigenlijk totaal niet voor hún Indonesië en voor hún visie op het verleden interesseert?

Laten wij ons daarbij niet neerleggen. Laat het gebaar dat Bot op 17 augustus in Jakarta maakt ertoe bijdragen dat de dekolonisatie ook doordringt in ons eigen geschiedenisonderwijs. En wellicht ontstaat dan ook meer ruimte voor een werkelijke dialoog tussen onze beide landen over het koloniale verleden dat wij delen.

Prof.dr. G.J. Oostindie en prof.dr. H.G.C. Schulte Nordholt zijn respectievelijk directeur en hoofd Onderzoek van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden (KITLV-KNAW).

    • Gert Oostindie
    • Henk Schulte Nordholt