De nieuwe Rushdie

Een ramp overkomt de laatste Rushdie. `Rushdie stort zich op islamitisch terrorisme' (NRC Handelsblad, 12 augustus), `Rushdie haalt uit naar moslimterrorisme' (de Volkskrant, 11 augustus).

Beste jongens en meisjes, lezers en recensenten, als dat Rushdies bedoeling was, had hij wel een pamfletje geschreven, en geen meesterlijke roman van 428 pagina's.

Ik geef toe dat ik niet neutraal sta tegenover Salman Rushdie. Ik ben een fan, misschien wel een fanaat. Toen `Is nothing Sacred' uitkwam, zijn essay over de fatwa die tegen hem was uitgesproken door Khomeiny, ben ik naar Londen afgereisd om het eerste exemplaar te bemachtigen. Per nachtboot, dat was toen nog het goedkoopst, zonder reservering van stoel of bed, dat was nog goedkoper, doodziek van de ruwe zee en de glazen bier in het restaurant waar ze de godganse nacht nummers van Janis Ian draaiden, u kent het wel, `I learned the truth at seventeen, that love was meant for beauty queens', misschien moest ik daarvan kotsen over de reling en gaf ik bier en zee de schuld.

Stromende regen bij aankomst, ook al geen zitplaats in de trein naar Victoria Station, de bus naar Buckingham Palace, want tegenover dit paleis staat het Institute of Contemporary Arts, een instelling als De Balie, maar dan groter, en een boekhandel die `Is Nothing Sacred' als eerste zou aanbieden, om twaalf uur 's middags. Ik was er al om kwart voor twaalf en de dozen met boeken kwamen aan om half twee en ik kreeg mijn exemplaar gratis, omdat de boekverkoper zo'n medelijden met me had. Ik had hem alles verteld over Janis Ian, dat helpt altijd.

Ook toen de fatwa tweeëeneenhalf jaar oud was, ik werkte inmiddels voor De Groene Amsterdammer, ging ik naar Londen, in opdracht van hoofdredacteur Martin van Amerongen die mijn twijfel over het nut van de reis wegwuifde met de woorden dat een journalist nooit een buitenlandse reis mocht weigeren.

Er was een plechtige bijeenkomst gepland in een grote boekwinkel en dit keer ging ik niet met de boot en niet onder begeleiding van Janis Ian maar met het vliegtuig, waardoor ik te laat kwam voor de plechtigheid.

De Britse schrijfster Fay Weldon was al aan het woord toen ik binnenkwam rennen en struikelde over een dikke televisiekabel en vlak voor Fay Weldon op de grond lag. U moet zich dat voorstellen: Rushdie wordt bedreigd en is ondergedoken, een of andere fundamentalist met uiteraard een Aziatisch uiterlijk en een katoenen tas om de schouder wordt verwacht als de mogelijke moordenaar, er is een bijeenkomst ter ere van Rushdie waar hij trouwens niet zelf bij kan zijn, beroemde Britse schrijvers zijn bijeen om hun afschuw over de doodsbedreiging te uiten, en daar kom ik, Aziatisch uiterlijk en katoenen tas, en struikel over een televisiekabel en beland met mijn gezicht op de voeten van Fay Weldon, een vrouw van een kilo of tweehonderd.

Het wordt doodstil in de zaal, omdat iedereen wacht op de ontploffing van de explosieven die ik in mijn katoenen tas zou hebben, en dan zegt Fay Weldon door de microfoon: ,,Are you alright, dear?''

Een Rushdie-fanaat ben ik, heus, want toen Babette Niemel van de VPRO mij vroeg of ik mee wilde werken aan een radiodocumentaire over Rushdie, ter ere van het verschijnen van het boekenweekgeschenk `Woede' in 2001, wist ik niet hoe gauw ik van Delhi, waar ik toen woonde, naar Bombay kon afreizen. Met `Middernachtskinderen' in de hand vond ik precies de wijk waar Salman Rushdie in Bombay kon hebben gewoond en omdat Rushdie niet het huis beschrijft waar hij als kleine jongen woonde, maar wel het uitzicht dat hij door zijn raam had, een zwembad in de vorm van India waar alleen blanken in mochten, besloten Babette en ik naar dat uitzicht te gaan, om de weg terug te construeren.

Punt was alleen: Babette Niemel en ik zijn gekleurd en de oude regel van `only for Europeans' gold in het zwembad in de vorm van India nog steeds. Rushdie heeft zelf nooit in dat zwembad kunnen zwemmen, toen waren ze strenger, maar wij waren slimmer. Aan een blanke man die met zijn kotertjes naar het zwembad kwam, vroeg Babette of hij ons als introducés wilde binnensmokkelen. De blanke man vond dat wel een grappig idee en de Indiase portier die gekleurde mensen buiten moest houden keek behoorlijk beteuterd, toen we niet alleen het zwembad bereikten maar ook nogal luidruchtig vele flessen bier bestelden.

En daar was het dan, onmiskenbaar, het raam van het huis vanwaaruit Salman Rushdie uitzicht kon hebben gehad op het zwembad.

Wie Babette Niemel niet kent zal niet begrijpen hoe wij het huis konden binnendringen. Ze is zo volhardend en charmant dat niemand nee tegen haar durft te zeggen, misschien ook omdat ze eruitziet alsof ze je ook fysiek kan beschadigen.

Zo ver zijn we dus gegaan, het huis waarin Salman Rushdie opgroeide, het pad waar hij over fietste, de kiosk waar hij zijn stripboeken kocht, die kiosk is er nog steeds, precies zoals hij in `Middernachtskinderen' beschreef. Het is een kiosk van niks, maar iemand als Salman Rushdie maakt er een wereldtent van.

Dat is Rushdie eigen, van niks maakt hij iets, en het lukt hem lang niet altijd. `Middernachtskinderen' vond ik geweldig, `De laatste zucht van de Moor' vond ik nog geweldiger, maar ik vroeg me in alle weemoed af of hij `De laatste zucht' kon overtreffen.

Dat kan hij dus. `Shalimar de Clown' dat vorige week bij wijze van Europese primeur verscheen, verslaat alles wat Rushdie tot nu toe heeft geschreven. En, beste mensen, het gaat niet om een aanval op het moslimterrorisme. Het boek gaat over een clown, een man die doet alsof; iemand met een masker, laat dat masker een rode neus zijn, een domme blik of een heilig boek. Shalimar, de clown en de terrorist, wordt door Rushdie zo liefdevol neergezet dat ik me afvraag of iemand op deze aarde het beter kan.

Deze clowns, natuurlijk zijn ze eerder gevaarlijk dan grappig. Daar schuilt het meesterlijke van Rushdie: dat hij onze tijd overtuigend weet neer te zetten als een grap, een wrange grap.

ramdas@nrc.nl

    • Anil Ramdas