Atjeh hoopt op vrede maar twijfelt

De inwoners van Atjeh zijn blij met de vrede. Maar ze betwijfelen of die lang stand zal houden. `We moeten vergeven terwille van onze kinderen.'

De boodschapper van de `Beweging Vrij Atjeh' (GAM) heeft een rood-wit Indonesisch vlaggetje op het stuur van zijn bromfiets vastgemaakt. Met een brede grijns op zijn gezicht staat hij te wachten bij een moskee, iets buiten de stad Peureulak in de provincie Atjeh. Hij brengt ons over smalle zandweggetjes, langs groene rijstvelden en wuivende palmen naar de lokale rebellencommandant.

Onderweg zwaaien Indonesische militairen nietsvermoedend vanuit hun luie stoel bij een van de vele controleposten in de dorpjes. Ook al wordt vandaag in de Finse hoofdstad Helsinki een vredesakkoord getekend, journalisten mogen van het Indonesische leger nog steeds niet met rebellen praten.

Tengku Abdul Rani bin Idris, die namens de rebellen het commando voert over district Peureulak, ontvangt zijn bezoek met uitgestrekte armen. Hij is in burger, want zijn guerrillapak ligt inmiddels schoongewassen in de kast. De rebellencommandant zegt dat hij zijn geweer ook al heeft ingeleverd, op een geheime plek ergens in de bergen van Atjeh.

Met zijn hand op zijn hart bezweert commandant Rani dat zijn manschappen het in Finland gesloten vredesakkoord zullen naleven. ,,We moeten luisteren naar onze politieke leiders (die al vele jaren in ballingschap in Zweden wonen). Het volk is de oorlog moe en wil vrede. We zullen die wens eerbiedigen'', zegt hij met een plechtig gezicht. De tientallen rebellen op de grond om hem heen zitten, knikken instemmend. In het vredesakkoord staat onder meer dat de rebellen de eis tot onafhankelijkheid zullen afzweren. Maar de GAM mag in ruil daarvoor wel een eigen lokale politieke partij in Atjeh oprichten.

,,Maar als de Atjeeërs ons als hun leiders opnieuw om hulp vragen, pakken we de wapens weer op'', zegt commandant Rani.

,,Grootspraak'', noemt Tengku Sarwani die laatste opmerking van de rebellencommandant. Sarwani is directeur van de pesantren (moslimschool) in het dorpje Ulee Ateung, in de buurt van Peureulak. ,,Het volk ziet de GAM-commandanten heus niet meer als zijn leiders'', zegt hij.

Schoolhoofd Sarwani vertelt dat de rebellen zichzelf de afgelopen jaren behoorlijk impopulair hebben gemaakt door de Atjeeërs geld af te troggelen. GAM noemde dat belasting die aan de `Islamitische Staat Atjeh' werd afgedragen, zoals de rebellen een onafhankelijk Atjeh noemden.

Net als de Indonesische militairen hebben de rebellen bloed aan hun handen. Zij ruimden inwoners uit de weg, van wie ze vermoedden dat ze als spionnen opereerden voor het Indonesische leger. Tengku Sarwani vertelt dat de meeste kinderen van zijn school door het jarenlange conflict zijn getraumatiseerd. Ruim tweehonderd kinderen uit de omliggende dorpjes zitten op zijn school. Ze bleven regelmatig bij hem slapen als rebellen en Indonesische militairen in de buurt slaags waren geraakt en het te gevaarlijk was om naar huis te gaan.

Sinds de vredesbesprekingen in Helsinki dit jaar van start gingen, is het geweld in Atjeh sterk afgenomen. Het leger patrouilleert nog maar nauwelijks in de dorpjes. En de rebellen laten zich ook niet meer openlijk zien. Ondanks deze positieve ontwikkelingen heeft de schooldirecteur toch weinig vertrouwen in het vredesproces. ,,Ik vertrouw beide partijen niet. De rebellen én het leger hebben baat bij het voortduren van het conflict. Ik vrees dat de oorlog niet stopt.''

Het is een publiek geheim in Atjeh dat het Indonesische leger auto's vanaf het eiland Sabang binnensmokkelt en betrokken is bij de handel in verdovende middelen en bij illegale houtkap. Militairen zouden daarbij ook samenwerken met de rebellen. De strijdende partijen delen in de opbrengst.

,,Vraag hem maar eens naar zijn ervaring met GAM'', zegt Sarwani als een van zijn studenten, de 21-jarige Ahmad Yani, binnen komt lopen. De student vertelt hoe hij een maand geleden gedurende vijfentwintig dagen door de politie werd verhoord. De politie had het lichaam van een rebel gevonden. Die was vermoedelijk vermoord door zijn eigen kornuiten omdat hij zich wilde overgeven. De politie vermoedde dat Ahmad een spion van de rebellen was.

Ahmad zegt van niets te weten. Hij lacht om de vraag of zijn ondervragers hem mishandelden. ,,Iedereen die door de politie wordt verhoord, wordt ook geslagen'', zegt hij.

Hij zegt dat hij geen sympathisant is van de rebellen. Zijn broer wel. Die sloot zich drie jaar geleden tegen de zin van zijn ouders aan bij de rebellenbeweging. Sindsdien hebben ze niets meer van hem vernomen. Twee jaar geleden ontvoerden rebellen zijn ouders omdat die weigerden geld af te dragen aan de GAM. Vijf dagen lang werden ze vastgehouden voordat ze weer vrij kwamen.

Ahmad hoopt dat er nu vrede komt. Dan ziet hij zijn broer weer. Maar hij verwacht weinig van duurzame vrede. ,,Er zijn al eerder vredesovereenkomsten getekend'', zegt hij. Hij vreest dat het geweld na enige tijd weer zal toenemen. Dat gebeurde in het verleden na ieder vredesbesluit.

Ahmad komt uit een dorpje waar 10 procent van de mannen bij GAM is aangesloten. De familie weet vaak niets eens waar ze zijn. Schooldirecteur Sarwani vraagt enkele familieleden van rebellen naar zijn school te komen. Buitenlanders kunnen beter niet in hun dorpje komen. Dan staat na afloop het leger bij hen op de stoep.

Militairen komen regelmatig in de dorpjes om bij gezinnen te informeren waar hun verwanten zijn. Familieleden van een kind of echtgenoot die zich heeft aangesloten bij de rebellen, moeten zich twee keer per week bij het leger melden. Een vrouw zegt al vier jaar geen contact te hebben gehad met haar echtgenoot. Ze hoopt op vrede. De inwoners van het dorpje zeggen niets van de ideologie van GAM te begrijpen.

Met spanning wordt in de dorpjes uitgekeken naar de terugkeer van de rebellen, nu de strijd formeel voorbij is. Volgens dorpshoofd Muhamad Isa zal iedereen met open armen worden ontvangen, behalve de rebellen die onschuldige Atjeeërs hebben vermoord. Hij vindt dat in dit soort gevallen de rechter uitspraak moet doen.

Muhamad Isa is niet bang dat dorpelingen wraak zullen nemen op rebellen. ,,We houden straks bijeenkomsten, waarbij we elkaar recht in de ogen moeten kijken en elkaar om vergeving zullen vragen. We moeten vergeven. Voor de toekomst van onze kinderen en voor de vrede in Atjeh.''

    • Wilma van der Maten