Zij kon op haar tweede de spagaat

Turnen op niveau, daar moet je veel voor over hebben. Maar niet alles, vindt Suzanne Harmes en dus noemde de trainer haar `lui'. Nu behoort ze tot de besten van Europa. De ups en downs van een puberteit in de topsport.

Amper zeven jaar oud was Suzanne Harmes toen haar vader de carport van haar ouderlijk huis in Zoetermeer verbouwde tot turnzaal. Op een provisorische balk, brug en trampoline oefende ze haar sprongen. Soms met vriendinnen, soms in haar eentje. En gaandeweg met een beter resultaat. Toen was al duidelijk dat ze een groot talent was. Wanneer dat besef precies doorbrak, vindt ze moeilijk te zeggen. ,,Maar volgens mijn moeder kon ik op mijn tweede al de spagaat. En als je ontdekt dat je ergens goed in bent, laat het je niet meer los. Dan wil je steeds meer, steeds beter.''

Suzanne Harmes is een gespierde vrouw met een wat norse uitstraling. Haar gezichtsuitdrukking heeft iets weg van die van een ontevreden puber. Maar zodra de glimlach doorbreekt, verdwijnt de barsheid. In het restaurant van een zakenhotel nabij het centraal station in Nijmegen vertelt Harmes dat haar uitstraling ook een pose is. Niet iedereen zal zomaar op haar af stappen en dat vindt ze soms wel zo prettig – bijvoorbeeld bij het uitdelen van handtekeningen. Of bij vraaggesprekken, waarin ze aanvankelijk een defensieve houding aanneemt. Pas als haar vertrouwen is gewonnen, komt de woordenstroom op gang. Dan blijkt achter de stugheid een zelfverzekerde en openhartige sportster schuil te gaan.

Ze noemt zichzelf ,,niet echt ambitieus''. Ze wil zich ontwikkelen als sportvrouw, maar streeft niet naar een hoge plek op de wereldranglijst. ,,Dan leg ik een te grote druk op mezelf – en de ervaring leert dat dat averechts werkt.'' Haar voorlopig hoogtepunt bereikte de 19-jarige grand old lady van het Nederlandse turnen tijdens de Europese kampioenschappen in het Hongaarse Debrecen, in juni van dit jaar. Waar haar mannelijke collega Yuri van Gelder triomfeerde aan de ringen, versloeg zij bijna al haar concurrenten `op vloer'. Het leverde Harmes de tweede plaats op – haar eerste individuele medaille op zo'n hoog niveau. Én het predikaat `hoop van het vaderlandse vrouwenturnen' – een tak van sport die na de enkelblessure van topturnster Verona van de Leur, twee jaar geleden, een stevige deuk had opgelopen.

Harmes' carrière begon twaalf jaar geleden, toen ze door haar drie jaar oudere zus werd meegenomen naar een zaaltje van turnvereniging Pro Patria in haar geboorteplaats Zoetermeer. ,,Mijn zus turnde al een paar jaar, maar die middag pikten de coaches míj er meteen uit. `Je hebt talent', zeiden ze. `Waarom kom je niet een keer trainen?''' En zo geschiedde. Harmes werd in een turngroepje ingedeeld en moest van meet af aan een stevig programma doorlopen. ,,De wekker ging om zeven uur en dan stond ik kwart voor acht op de mat. Na school fietste ik meteen door naar de volgende training. Het was best pittig.'' Lachend: ,,Als ik een keer mijn dag niet had, wilde mijn zus daar niets van weten. `Niet zeuren', zei ze dan. `Jij mág tenminste. Ik heb die kans nooit gekregen.''' Haar zus had te weinig talent voor de topsport. ,,En ze was te oud toen ze met turnen begon: negen jaar.''

Harmes' turnprestaties waren vaak onderwerp van gesprek, thuis aan de keukentafel. Te nadrukkelijk, in de ogen van haar zus en drie jaar jongere broer. Ook zíj wilden weleens in de schijnwerpers staan. ,,Mijn broertje heeft zich ooit hardop afgevraagd waarom zijn voetbalkwaliteiten zo onderbelicht bleven. `Het gaat altijd maar over turnen', mopperde hij. En ik moet hem daar gelijk in geven.'' Toch hebben haar ouders haar nooit gepusht om topsporter te worden, benadrukt Harmes. Sport is voor beiden belangrijk – haar moeder is amateur-tennisser, haar vader doet aan volleybal en badminton – maar ze hebben er volgens haar nooit hooggespannen verwachtingen aan gekoppeld. ,,Mijn ouders steunden me in mijn streven de top te halen – zolang ik mijn havo-diploma aan de LOOT-school (een school voor voortgezet onderwijs, waar het lesrooster wordt aangepast aan de trainingsbehoeften van jonge topsporters, red.) maar haalde.'' Sinds enkele maanden combineert Harmes haar trainingen met een opleiding aan het Centraal Instituut Opleiding Sportleiders (CIOS) in Arnhem.

Hoe getalenteerd Harmes ook was en hoe graag ze ook wilde, vanzelfsprekend verliep haar loopbaan niet. Jarenlang kon ze niet door één deur met haar clubcoach Frank Louter. ,,Een kwestie van botsende karakters'', denkt zij. Louter was van 2001 tot en met de Olympische Spelen van 2004 in Athene bovendien ook bondscoach van het vrouwenturnen.

In de zomer van 2002 brak Harmes met Louter en stapte over naar de Nijmeegse vereniging De Hazenkamp. Dat ze is blijven turnen, is te danken aan trainer Boris Orlov van De Hazenkamp. Ook de amicale sfeer die ze daar aantrof gaf haar nieuw vertrouwen. Ze nam voor lief dat ze tot en met de Olympische Spelen in Athene gecoacht moest worden door bondscoach Louter. ,,Ik ging toch mijn eigen weg'', zegt ze met een glimlach.

Wat was precies de aanleiding voor de breuk met Louter?

,,Wij hebben elkaar vanaf het begin niet gelegen. Hij is rechtlijnig – als mens én als trainer. Tijdens de trainingen mocht er geen woord worden gewisseld. Muziek was uit den boze. En we moesten precies veertig minuten oefenen op ieder toestel. Ook als ik ziek was, of een blessure had, vergde hij het uiterste. Die werkwijze begon mij steeds meer tegen te staan. Waar de andere meiden hun mond hielden, gaf ik hem weerwoord als hij ons de wind van voren gaf. `Kun je niet normaal doen?', zei ik dan. `Zo kan ik me niet concentreren.' Hij vond mij een brutaal, moeilijk meisje. Maar ik had het gevoel dat ik voor mezelf opkwam. Die rolverdeling hebben we – met tussenpozen – een jaar of acht volgehouden. Toen vond ik het welletjes.''

Je wisselde niet alleen van trainer, ook van turnvereniging en woonplaats. Hoe moeilijk was dat voor een zestienjarig meisje?

,,Het viel me niet mee. Van de ene op de andere dag kwam ik in een gastgezin in Nijmegen terecht (inmiddels woont Harmes op kamers in het nabijgelegen Lent, over haar ervaringen in het gastgezin wil zij uit beleefdheid niets kwijt, red.) Bij mijn oude turnclub Pro Patria was bijna iedereen ervan overtuigd dat ik dát nooit zou overleven. Ik was dan wel goedgebekt, maar zonder mijn ouders zou ik het niet redden. En wat te denken van mijn nieuwe trainer, Orlov? Die was toch lang niet zo gedisciplineerd als Louter? Nee, die Harmes zou snel met hangende pootjes terugkeren. Dachten ze. Maar ik had het juist naar mijn zin bij Orlov. Hij is flexibel: lukt het vandaag niet, dan proberen we het morgen. En bij dat gastgezin? Ach, ik probeerde zo veel mogelijk mijn eigen leven te leiden. En in de weekenden was ik weer bij mijn ouders. Ik redde me wel. Sinds ik op mezelf woon, ben ik Nijmegen zelfs een beetje als mijn thuis gaan beschouwen. Als het aan mij ligt, blijf ik hier wonen.''

Heeft de benoeming van Louter tot bondscoach meegewogen in je beslissing met hem te breken?

,,Als bondscoach mocht Louter bepalen wie er voor het Nederlandse team werd geselecteerd. Het is een van de redenen dat het me zoveel tijd heeft gekost om me van hem los te weken; ik was bang dat hij me zou weren. Aan de andere kant: hij kon moeilijk om mij heen. Ik presteerde behoorlijk en het reservoir topturnsters dunde – vooral door blessureleed – steeds verder uit. Dat betekent niet dat ik achterover kon leunen. Ik wist: als ik iets minder presteer, zet hij me onmiddellijk uit het team.''

Na de breuk negeerden Louter en Harmes elkaar tijdens internationale toernooien, vertelt ze. ,,Ik wekte de schijn dat ik naar hem luisterde als hij aanwijzingen gaf, maar inwendig draaide ik de knop om. `Praat jij maar', dacht ik dan. `Ik ben even niet bereikbaar.' Het was dubbel: aan de ene kant wilde ik niets meer met hem te maken hebben, maar ik voelde ook de drang om het beste uit mezelf te halen als híj naast me stond.'' Dat Louter in interviews opmerkte dat Harmes `getalenteerd maar lui' was, deerde haar naar eigen zeggen niet. ,,Ik vond het kinderachtig. Net zo kinderachtig als het feit dat hij me na mijn zilveren medaille in Debrecen niet feliciteerde. Niet dat ik daar nou op zat te wachten, maar het typeert hem wel.''

Met haar huidige trainer Orlov, een zachtaardige Rus met wit vlassig haar, heeft ze nog nooit ruzie gehad. ,,Hij heeft een kalmerende invloed op me, ik heb nauwelijks meer last van opvliegendheid.'' Dat Orlov het trainingsprogramma aanpast als ze een keer haar dag niet heeft, of pijn lijdt, vindt ze niet meer dan normaal. ,,Als je ouder wordt, krijg je meer last van lichamelijke gebreken. Dat klinkt misschien gek, maar een 19-jarige topturnster kan nog hooguit een jaar of drie mee.''

Veel topsportsters leren de beperkingen van hun lichaam pas echt kennen als ze voor het eerst ongesteld worden. Wat heb jij daarvan gemerkt?

,,Als je eenmaal menstrueert – en vrouwen die veel van hun lichaam vergen weten dat vaak lang uit te stellen – kun je minder op automatismen terugvallen. Na een vakantie bijvoorbeeld, duurt het even voordat je op je oude niveau zit. Je sprongen zijn minder vloeiend en op de brug ben je wat wankel. Maar daar wen je wel aan. Frustrerender vind ik het dat je door die ongesteldheid een paar kilo aankomt. Er zijn turnsters die daar een obsessie voor hebben ontwikkeld – ze staan soms vijf keer per dag op de weegschaal – maar ik probeer er nuchter onder te blijven. Ik weet dat het zo is en probeer daar verstandig mee om te gaan. Hoe? Door niet te snoepen. Door van de McDonald's geen tweede huis te maken. Het vervelende is dat buitenstaanders vaak meer bezig zijn met mijn gewicht dan ikzelf. Zo schreef een journalist van de Volkskrant vorig jaar dat ik tien kilo was aangekomen. Tien kilo! Dat haal ik echt bij lange na niet.''

Gewichtstoename wordt te gemakkelijk in verband gebracht met afnemende prestaties?

,,Ja, en in mijn geval gaat dat niet op. Ik heb een tijdje minder gepresteerd nadat ik was gaan menstrueren en bovendien gehinderd werd door blessures. Als gevolg van een schouderblessure heb ik vorig jaar bijna de Europese kampioenschappen in Amsterdam gemist. Aan die kampioenschappen móest ik deelnemen, wilde ik me plaatsen voor de Olympische Spelen. Was het verantwoord? Nee. Ik snap nog steeds niet waarom de turnbond toen geen uitzondering voor mij heeft gemaakt. Tijdens de wereldkampioenschappen in Anaheim, een jaar eerder, had ik mij al gekwalificeerd; ik moest in Amsterdam alleen vormbehoud tonen. Waarom dan vasthouden aan ingewikkelde procedures? Maar om op jullie vraag terug te komen: ik ben terug op mijn oude niveau, maar die drie extra kilo's zitten er nog steeds aan. Hét bewijs dat gewichtstoename niet altijd gepaard gaat met vormverlies!''

Je hebt je hele puberteit op hoog niveau getraind. Heb je daar veel voor moeten opgeven?

Lachend: ,,De Marsen en de Snickers hè. Nee, serieus, ik heb niet het gevoel dat ik als puber erg geleden heb onder dat strenge regime van 33 uur trainen per week. Soms vond ik het moeilijk om een feestje af te zeggen. Ik wist: áls ik een nacht doorhijs, ben ik de volgende dag kapot en draait mijn trainer door. Het is weleens voorgekomen hoor, dat ik een training oversloeg, maar ik maakte er geen gewoonte van.''

Veel van je collega-turnsters zijn de afgelopen jaren geblesseerd geraakt en uitgevallen. Jij hebt nauwelijks last gehad van fysieke kwalen. Hoe verklaar je dat?

,,Turnen is mijn grote passie, maar ik ben niet bereid er alles voor op te geven. Ik heb, in tegenstelling tot veel andere topturnsters, ook een leven buiten de sport. Ik spreek af met vriendinnen, zit op terrasjes, bezoek latin-house-festivals in mijn vakantie. Ik weet niet of je met zo'n levenshouding blessures kunt voorkomen, maar het zorgt er wel voor dat je ontspannen naar grote toernooien toe kunt leven.''

Je voormalige trainer Frank Louter is ervan overtuigd dat goede prestaties zijn gestoeld op mentale weerbaarheid. Op zijn aandringen hebben Nederlandse topturnsters enkele jaren geleden trainingen gevolgd volgens het psychologisch communicatiemodel Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP). Heb je daar iets van geleerd?

Diepe zucht. ,,Die training vond ik tien keer niets. In de eerste plaats nam Louter ook deel aan de cursus, waardoor het onmogelijk was een openhartig gesprek met de cursusleider te voeren. Zes dagen lang moesten we praten, praten, praten. Ik kreeg te horen dat ik `problemen had' en dat mij dat nog zou gaan opbreken. Nou, daar heb ik tot nu toe weinig van gemerkt. Ik sta voor mijn gevoel met beide benen op de grond. En bij wedstrijden blokkeer ik zelden of nooit. Ik weet dat de schijnwerpers tijdens een WK of EK op mij gericht staan, maar kan dat heel goed uitschakelen. Ik zie alleen de vloer, verder niets.''

Op de vraag wat haar drijft volgt een lange stilte. ,,Roem zeker niet'', zegt Harmes beslist. ,,Ik vind het al onwerkelijk als jonge turnsters mij aanhouden voor een handtekening.'' Haar medailles hangen weliswaar in haar kamer, en ze is er trots op, maar als ze er nooit meer een zou winnen, heeft ze niet het gevoel dat ze gefaald heeft. ,,Zolang ik niet onderaan de ranglijst bungel, ga ik door.'' Misschien, zegt zij peinzend, wordt ze wel gedreven door de wetenschap ,,dat ik het kan''. En als je iets goed kan, wil je dat nu eenmaal graag laten zien.

Er zijn nooit momenten geweest dat je dacht: tot hier en niet verder?

,,Jawel. Maar dat had niets te maken met mijn slechte relatie met Louter, of de paar blessures die ik heb opgelopen.'' Die momenten van twijfel, zegt Harmes, hingen vooral samen met de ondoorzichtige gang van zaken in het turnwereldje: procedures worden niet nageleefd, juryleden hebben zo hun favoriete clubs en het nepotisme tiert welig. ,,Die partijdigheid van juryleden is moeilijk te bewijzen, terwijl je wéét dat het bestaat. Vooral juryleden uit voormalige Oostbloklanden maken onderling afspraken. Echt druk maak ik me er niet over, hoewel het bijzonder onrechtvaardig voelt en de sport geen goed doet. Maar ja, als eenling kun je er weinig tegen ondernemen. En je wilt de juryleden ook niet tegen de haren instrijken, hè.''

Als topsportster met een A-status heeft Harmes de beschikking over een lease-auto en een maandelijkse uitkering van 800 euro van de sportkoepel NOC*NSF. Daarnaast kan ze voor haar sport gemaakte onkosten declareren bij de koepel. ,,Geen vetpot'', vindt zij. ,,Maar gelukkig kan ik met weinig toe.'' Op haar kleine kamer in het Gelderse Lent (,,er past nog net een eetkamertafel in'') zul je haar weinig aantreffen, daarvoor is ze te veel onderweg. Met haar trainer of met vriendinnen, want een vaste vriend zit er voorlopig niet in. ,,Ik heb een drie jaar lange relatie met een voetballer gehad, maar dat staat nu op een laag pitje. Niet alle mannen vinden het gemakkelijk dat sport voor een vrouw op de eerste plaats komt.''

Op de vraag hoe haar leven er over vijf jaar uitziet, antwoordt Harmes gedecideerd: ,,Dan ben ik te oud voor de topsport.'' Ja, ze kent het voorbeeld van de Russische turnster Svetlana Khorkina, die op haar vijfentwintigste nog topsport bedreef. En de Oezbeekse Chusatinova, die zelfs doortrainde toen ze zwanger was. Maar zelf wil ze het liefst trainster worden – toptrainster wel te verstaan, want er moet natuurlijk wel wat op het spel staan. ,,Het enige probleem is dat toptrainers in Nederland weinig verdienen. Ik zal er dus een paar baantjes bij moeten zoeken.'' Of een rijke man? Ze gniffelt. ,,Ja, met twee kinderen in een nieuwbouwwijk. Misschien kan ik daar op den duur niet meer onderuit.''

    • Danielle Pinedo
    • Henk Stouwdam