Wandelende duinen 3

Het is nogal arrogant van de wetenschapper de beheerder van onkunde te betichten. Temeer daar Van der Maarel in zijn reactie (W&O 6 augustus) de plank hier en daar flink mis slaat. Het ontstaan van de Jonge Duinen is nog steeds met raadselen omgeven. Het is onmogelijk dat het misbruik van het duin zelf hiervan de oorzaak is. Het zand van de Jonge Duinen wijkt mineralogisch af van de Oude Duinen. Aan het begin van de Jonge Duinvorming, volgens sommigen al rond de achtste eeuw, lag het meeste zand nog in zee. In de daarop volgende eeuwen is een ongelooflijke hoeveelheid zand als een soort vloedgolf over de Oude Duinen afgezet. Ook de uitzonderlijke opeenvolging van kleine paraboolduinen direct achter de zeereep, en landwaarts steeds grotere vormen, wijst erop dat de oorzaak richting zee gezocht moet worden. Nog steeds is niet goed begrepen wat het mechanisme hierachter is geweest. Bij paraboolduinen is het samenspel van windwerking, zand en plantengroei in een delicaat evenwicht. De balans kan doorslaan richting stabilisatie of richting `verwoestijning' bijvoorbeeld door klimaatsverandering of door de mens. In Nederland zal het broeikaseffect zeker bijdragen aan de vergroening van het duin.

Wereldwijd zijn tal van actieve parabolen te vinden waarbij de mens geen enkele rol speelt. Het dichtstbijzijnde voorbeeld is het beschermde wandelende duin bij Råbjerg Mile, in Denemarken. Stabiliserende maatregelen zijn hier altijd taboe geweest. Vanuit de gedachte dat door het kunstmatig vastleggen van de kustlijn de dynamiek uit de voorste duinzone is verdwenen, met als gevolg vegetatiesuccessie en verdwijnen van karakteristieke pioniermilieus, is de visie ontstaan dat ingrijpen alleen succesvol kan zijn als de grootschalige, duinvormende processen worden hersteld. Grote vraag is of dat überhaupt kan, en in dit licht moeten de ingrepen in Zuid-Kennemerland worden gezien: het zijn experimenten.

Verstuiving is ook een van de mogelijke maatregelen om o.a. de negatieve effecten van verhoogde stikstofdepositie tegen te gaan. Landelijk wordt er dus veel over deze vorm van beheer nagedacht, en het is geenszins zo dat de beheerder in dit geval zijn experimenten zonder wetenschappelijke onderbouwing uitvoert.

    • Dr. Bas Arens Bureau voor Strand-