Uit het dagelijks leven

Welke nationale misstand schreeuwt het hardst om een keiharde aanpak? Begin deze week las ik ergens dat de campagne `Nederland wordt steeds schoner' niet helpt. In de Volkskrant wordt een discussie gevoerd over het `zinloos geluid', dat `een plaag' is. Daar zijn ze het over eens, maar niet over de oorzaken en de remedie. In deze krant van donderdag wordt uitgebreid gerapporteerd dat, ondanks alle goede raad, de jeugd steeds meer gaat zuipen. En het voetbalseizoen is nog niet begonnen, maar de in Amsterdam verboden wedstrijd Ajax-ADO zal misschien `in het buitenland' worden gespeeld. Zijn dat misstanden of niet? Voor alle zekerheid behandel ik ze allemaal.

De openbare vaderlandse zwijnerij wordt sinds generaties heugenis met rijmpjes bestreden. `Laat niet als dank voor 't aangenaam verpoozen, de eigenaar van 't bosch, de schillen en de doozen.' Hoe lang dat geleden is, weet ik niet. In ieder geval later dan Hieronymus van Alphen, maar wel in dezelfde opvoedkundige traditie. `Aan een boom zo volgeladen, mist men één, twee pruimpjes niet.' Dan gaat het geweten spreken en de door het kwaad in verleiding gebrachte mens slaagt erin, op het rechte pad te blijven. Zo ging het toen, misschien, soms.

Zo niet in de praktijk van nu. `Papier hier!' riepen de holle bolle gijzen van de Efteling vergeefs. Jonge vaderlandse dichters traden aan. `Een blikje op de grond zwerft nog tien jaar in het rond', meldden een jaar of drie geleden de affiches, met de afbeelding van het zwervende blikje. Het affiche is verdwenen, het blikje zwerft voort. Langzamerhand kun je een poëziebundel met deze dichtkunst samenstellen. `Heer in 't verkeer' hoort er ook bij, en `Opstaan voor iemand misstaat niemand'. Aan zo'n bundel lijkt me behoefte, niet bij mensen die misstanden bestrijden, maar bij historici die daarvan de vergeefsheid willen beschrijven. Je kunt zeuren en rijmen wat je wilt maar Nederland onderscheidt zich op het eerste gezicht al jaren van het bevriende buitenland door zijn openbare zwijnerij. De praktijk van onze moderniteit bewijst dat we daarmee moeten leven.

Tweede misstand: het zinloos geluid. Hoe lang is het geleden dat Rudy Kousbroek een stukje heeft geschreven over de onontkoombaarheid van muziek in de openbare ruimte? Daarna kreeg je de walkman-doofheid bij pubers die het ding zoveel mogelijk op hun oren hielden en het altijd te hard aanzetten. Daarna deden de megawatt installaties in de auto hun intrede. Het is zomer. Daar komt er weer een aan. Bom-bom-bom-bom doen de versterkte bassen. Aan de ene kant is het een invasie van je territoir, aan de andere een interessant gezicht: die betrekkelijk jonge man aan het stuur, met een oogopslag die laat weten dat wat hem aangaat de hele wereld alle ziekten kan krijgen, terwijl hij naar zijn bombombommetje zit te luisteren. Nou ja, dat is de ergste niet. Het licht spingt op groen, hij sterft weg.

De discussianten in de Volkskrant noemen schrijnende voorbeelden. Pleinen, caféterrassen, restaurants, wachtkamers, winkelcentra, liften, openbaar vervoer, supermarkten, benzinestations, overal muziek. Overal het ritmisch gepomp waarom je niet hebt gevraagd en dat als een natuurverschijnsel over je komt. Een van de schrijvers wanhoopt nog niet. Immers: `we zijn toch ook van het roken in publieke ruimte afgekomen?' De strijd tegen het roken is begonnen in de jaren zestig en duurt voort. Veel lawaai maken door middel van apparatuur hoort tot de grondrechten van de nieuwe, mondige burger die al een jaar of wat in opmars is. Als je nu met tegenactie begint, ben je omstreeks 2050 even ver als nu de antirokers. De betrekkelijke stilte blijft even schaars als een schone straat of een schoon plantsoentje.

Zuipende jeugd. Daar begin ik niet aan. Destijds waren de alcoholisten onder de volwassenen het probleem. `Ach vader! Niet meer!' is de tekst bij een litho waarop je een stomdronken man aan een cafétafeltje ziet. In het Volksbond Koffiehuis werd de arbeider van de sterke drank afgehouden. Toen kwam de matige mens die zijn vrijheid waard is. Daarna in nieuw vermanend Nederlands: `Drank maakt meer kapot dan je lief is', met bijbehorende illustratie: een jongen die een glas bier drinkt. En dan in grote letters: Do you know? Do you care? Allemaal praatjes. Biertje? vraagt de reclame. Nee, liever een breezer. De makers van de bestrijdingscampagne erkennen dat ze zich à raison van op z'n minst anderhalf miljoen euro hebben vergist.

Sport verbroedert. Al tientallen jaren probeert `de harde kern' van vijandige supporters elkaar de hersens in te slaan, en een enkele keer lukt het, maar dat zijn `een paar mensen die het plezier van deze mooie sport voor de velen proberen te bederven'. Voor die paar mensen wordt op voetbalfestijnen de ME in reserve gehouden wat geld kost dat de voetbalclubs niet willen betalen. Geen enkele sport werkt kalmerend. Dat is ook niet de bedoeling. Met voetbal is het anders. Het is in de loop van een jaar of dertig, schat ik, geworden tot een razernijkwekerij, waarbij de `verdwaasde supporters' in werkelijkheid de voorhoede zijn van de sportmedia, de verslaggeverij, de spelers zelf, kortom de industrie van de voetbalhysterie. Vergelijk het met baseball, football, basketball in Amerika. Ook industriën waarin veel geld omgaat, maar geen geschuimbek, opruiing, moord en doodslag.

Tot zover deze beknopte behandeling. De bevolking van Nederland is sinds 1920 niet meer zo traag gegroeid. Meer en meer mensen emigreren. Vraag je af hoe het komt.

    • S. Montag