`Ik lijk een blok ijs maar ben een vulkaan'

`Laat ik vooropstellen: ik leid een dubbelleven, ik ben niet degene die u ziet. U denkt dat u zit te praten met een rustige, oude man. Maar ik ben een vulkaan. Ik heb ontiegelijk veel emoties. Alleen uit ik ze niet. Ik kán ze niet uiten. Ik voel ze komen, en dan, hup, zakken ze weer weg. Hier dwingen ze je... ik bedoel... hier proberen ze me op alle manieren aan het huilen te krijgen. Het lukt niet. Je maintiendrai.

Ik praat met u omdat het bijna 15 augustus is, de dag waarop de Japanners capituleerden. In Nederland denken ze dat de oorlog op 5 mei voorbij was. Voor mij was die pas op 15 augustus voorbij. Er zijn maar weinig mensen die daar bij stilstaan.

Dat ik nu hier elke maandag ben, dat is zo gekomen. Ik stond bij het graf van mijn vader, in Bandoeng, drie jaar geleden, samen met mijn vrouw. De emoties kwamen los. Ik voelde ze. En toen waren ze weer weg. Daarna waren we weer thuis en op een dag – mijn vrouw was er niet – zat ik naar de radio te luisteren. Het ging over geestelijk welzijn, er werd een telefoonnummer genoemd, en toen was ik heel even vol emotie. Ik heb gebeld. Ik zei: ik heb problemen. Er kwam een maatschappelijk werker bij mij thuis om te informeren. Daarna kreeg ik een oproep van Centrum 45. Ik kende dat niet, maar dat is een centrum voor de verwerking van oorlogsherinneringen.

De eerste keer hier in Centrum 45 vroegen ze me het hemd van mijn lijf. Dat ga ik nu niet zitten herhalen. Ik ga het anders doen. Ik heb hier een verslag bij me, zeg maar mijn cv, en daar staat het allemaal in. In grote lijnen dan. Dat ga ik u straks laten lezen. Ik zal u eerst een paar feiten geven. Ik was analist bij een oliemaatschappij. Ik ben getrouwd. Ik heb twee kinderen. Ik heb mijn kinderen nooit verteld wat er gebeurd is. Ik wilde ze niet belasten. Maar op een dag heb ik de jongste dat verslag gegeven. Hij zei: godallemachtig. Daarna heb ik het ook aan de oudste gegeven.

Ik was tien en toen moest ik bij mijn moeder vandaan. Dus dan mis je wel een paar dingen. Samen met mijn broer werd ik bij mijn moeder weggehaald en we gingen naar een zwakzinnigengesticht. Daarna werden we doorgestuurd naar een mannenkamp. Als jongetje van tien. Je komt net kijken, je bent onschuldig, je wilt spelen. En ik had een vreselijke angst voor de Japanners. Een ontiegelijke angst. Naar ik meen is in dat mannenkamp de basis gelegd voor mijn eh... wangedrag wil ik het niet noemen, zeg maar de misvorming van mijn karakter.

Ik zat tussen volwassen kerels. Je kreeg weinig eten. Wat doe je dan? Als je als jongen in de rij voor eten stond en je hoort: weg jij. Wat doe je dan? De eerste keer ga je weg. De tweede keer ook. Maar de derde keer niet meer. Je gaat schreeuwen.

De Japanners kwamen toen ik negen was. Ik zat in de derde klas. In het eerste kamp, waar ik met mijn moeder zat, kreeg ik nog wel onderwijs – van Jantje, van Klaasje, van Pietje. In het mannenkamp dacht je alleen maar aan eten. Na de oorlog bleef mijn moeder alleen achter met twee kinderen – mijn vader was overleden. Mijn moeder zei: alles is duur en we hebben weinig geld.

Eerst ging ik naar de overbruggings-HBS, maar de basis was fragiel. Je gaat je onzeker voelen. Dat groeide uit tot eh, hoe heet dat...een gebrek aan zelfvertrouwen, een minderwaardigheidscomplex. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben naar de analistenschool gegaan. Want dan verdiende ik meteen geld. En dat gaf ik aan mijn moeder. En daarna...

Nee, wacht, u kunt er waarschijnlijk geen touw aan vastknopen. Ik zal u nu eerst mijn cv laten lezen. Dan drink ik mijn koffie op.''

Uit het verslag, dat bij de aanvraag voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer door een rapporteur werd opgesteld:

`Verder weet aanvrager nog hoe hij een hondje had dat bij het huis van Sonai (aan de Laan Trivelli) moest worden ingeleverd. Later werd bekend gemaakt dat deze hond was opgehangen en doodgeslagen.'

`Hij moest voor de Japanners werken en elke dag twintig dode vliegen in ruil voor een beetje rijst inleveren.'

`Ook was de scheiding van moeder (met wie hij altijd een hechte band had gehad) voor aanvrager `of er een deel van je lichaam werd weggerukt.'

`In Tjimahi kreeg aanvrager een kaart van moeder waar het overlijden van zijn vader in bekend werd gemaakt. Verder heeft hij opnieuw gezien hoe iemand werd opgehangen.'

`Vooral met het eten en met de sanitaire voorzieningen (open latrines) was het slecht gesteld. Hierdoor zou aanvrager snel ziek worden en bacillaire dysenterie oplopen.'

Zo, nu heeft u een beetje een indruk. Waar ze me hier nu op pakken is dit, kijk: het verkreukelen van mijn koffiebeker met mijn vuist. Dat is de kwaadheid. Dat moet ik niet meer doen. Nee, dat zeggen ze niet tegen me. Ik zeg dat tegen mezelf.

Ik probeer het zo te verklaren: je bent een kind, je ziet dingen, mooi en lelijk, en je vergeet ze. Op rijpere leeftijd komen sommige dingen weer terug in de vorm van beelden. En in mijn geval zijn dat geen leuke beelden. Het zijn ijselijke beelden. Je bent in een kamp en je hoort opeens geschreeuw. Je ziet dat een Hollander door een Japanner wordt geslagen en opgehangen. Je probeert het te vergeten. Maar je hebt het gezien.

En daarna, je hebt dysenterie, je staat in de rij voor de latrines, en ze sturen je weg. Maar je móét, want je hebt dysenterie, en je bent eindelijk aan de beurt en om je heen hoor je het gespetter, en je voelt de spetters op je komen en... Ik ga dat niet vertellen. Ik was zo verzwakt. Bij wijze van hoge uitzondering kreeg ik wat bijvoeding. Dat was pap. Energieloze rommel.

Op een dag was de oorlog afgelopen. Er was een oproep van de scheepvaartmaatschappij waar mijn vader gewerkt had. Mijn broer en ik zijn er naartoe gegaan. Bijna elke dag gingen er transporten per trein van Tjimahi naar Batavia. Na een hele tijd mochten we mee. Staan we te wachten in de rij, wordt er geroepen: Roobol? Jullie gaan niet mee. Later hoor je: dat transport is nooit aangekomen. Buiten Bandoeng is de trein tot stilstand gebracht. Bij iedereen is de keel doorgesneden.

Ziet u, nu komt de emotie. En ziet u, nu is die weer weg. Ik kom terug op de Japanners. Elk volk heeft zijn eigen taal. Het Frans is vloeiend. Maar het Japans is snauwerig, horkerig. En als je dan ook nog bang bent... Dus als ik nu een Japanner zie op de televisie... Als hij zijn bek opendoet, gebeurt er nog niets. Maar bij bepaalde klanken, dan word ik witheet hè. Witheet! Ik vlieg tegen het plafond.

Ik praat altijd cryptisch, ik geef nooit rechtstreeks antwoord. Dat proberen ze me hier af te leren. Ik zal een voorbeeld geven. Een oud-patiënt is genezen van zijn eh... hoe noem je dat? In elk geval, ze vroegen aan mij: hoe vind je dat, dat hij nu weg is? Ik zeg: ja, kijk, als je een vriend hebt aan wie je veel toevertrouwt en hij zegt opeens dat hij naar Australië gaat, wat vind je daar dan van? Ik geef dus geen antwoord. Ik laat de ander het antwoord geven.

Als ze me vragen hoe het gaat, zeg ik: ik ben een blok ijs. IJs met een beetje water eromheen. Daarbij, ik ben analist geweest. Ik ben gewend om te observeren en dan een logische conclusie te trekken. Dus ik zeg tegen de patiënten in de groep: moet je opletten, altijd als de therapeut binnenkomt, dan gaat hij zitten en dan vraagt hij aan óns waar we het vandaag over zullen hebben.

Ik kom hier nu meer dan een jaar, elke maandag van half tien tot kwart over vier. Praten, praten. Ze zijn tevreden over me. Ik niet. Ik probeer de drempel over te gaan. Het lukt niet. De laatste keer dat ik het probeerde, zei ik tegen de therapeut: ik heb mezelf bekeken. Ik zei: er moet toch een oorzaak zijn voor mijn misvormde karakter. Zou het kunnen dat de basis is gelegd in de tijd dat ik een jongen van tien was? Hij zegt: zeg dat nou eens in de groep.

Dus ik zit in de groep en ik denk: hoe zal ik beginnen? De therapeut komt binnen, hij zegt: waar zullen we het vandaag over hebben, en ik zeg: over herinneringen, en over de vraag of je die kunt wegvagen, want ik heb namelijk een heel slechte herinnering. Maar het werd door de anderen niet opgepikt. Er gebeurde niets.

Daarvoor was er iets gebeurd dat me zeer diep geraakt heeft. Een andere patiënt was aan het praten en ik zat een beetje voor me uit te kijken, want ik had net een intensief gesprek gehad met mijn therapeut. Opeens vroegen ze aan mij: Bram, wat vind jij er nou van? Ik zeg: wat een gezeur. Ik kreeg ze allemaal over me heen! Allemaal! Alsof ik een pak voor mijn broek kreeg. Ik was er helemaal kapot van. Later heb ik mijn excuses aangeboden.

U vraagt me nu over welke herinnering ik had willen vertellen. Ik had willen vertellen over de Japanners. Ze waren niet aardig voor ons, maar ook niet voor elkaar. Op een keer, dat was nog voordat we naar het kamp moesten, liep ik te wandelen met mijn moeder. Ik hoorde een meerdere die een mindere uitkafferde. Die mindere kreeg me toch een pak slaag! Ik liep snel door, ik probeerde het te vergeten. Maar nu moet ik daar steeds aan denken. Hoe raak je zoiets kwijt? Ja, praten, zeggen ze hier. Een chirurg kan dingen weghalen. Maar kan je ook iets weghalen door te praten?

Mijn vrouw zegt: je bent een moeilijk mens. En dat ben ik. Ik ben moeilijk en gevaarlijk. Ik heb zevenendertig jaar voor die oliemaatschappij gewerkt. Ik ben onderaan begonnen, maar ik kan niet zeggen dat ik bovenaan geëindigd ben – ik bleef minderwaardig. Zevenendertig jaar kreeg ik van alles naar mijn kop, alles. Ik zei nooit wat. Op een dag had ik een fout gemaakt. Mijn baas zei: je begrijpt wel dat ik je nu geen goede beoordeling kan geven. Ik zei: protesteren heeft geen zin. Daarna kwam het breekpunt. Want ik wist: iedereen maakt fouten. Vanaf die tijd zweeg ik niet meer. Als mensen iets zeiden dat niet waar was, zei ik: je liegt. Ik viel iedereen aan. U vraagt me nu wat er toen gebeurde. Nou, niet veel. Ik werd op een zijspoor gezet. Daar ben ik gebleven tot mijn pensioen. Het interesseerde me niet meer. Die ellebogencultuur past niet bij mij.''

    • Jannetje Koelewijn