Verderfelijke spelletjes

In 1955 heb ik nog even overwogen rover te worden. Dat was na het zien van de film Du Rififi chez les hommes van Jules Dassin. Een clubje heren besluit de kluis van een juwelier leeg te maken. Het ding is met de modernste middelen hyperbeveiligd, met stralen en membranen. Maar de rovers vinden het hiaat: ze verschaffen zich toegang via het plafond. Eerst maken ze behoedzaam een klein gat in de vloer van de verdieping boven de kluis. Dan steken ze daar een paraplu door en zetten die op. De vallende brokstukken worden geruisloos opgevangen in de omgekeerde paraplu. Nu, een halve eeuw later, kan ik nog de geestdrift voelen die me beving toen ik die paraplu tot nieuwe bruikbaarheid verheven zag.

In de film neemt de inbraak annex roof ongeveer een half uur in beslag. Al die tijd hoor je niets anders dan de geluiden die door de werkzaamheden worden veroorzaakt. Geen muziek om het spannender te maken, geen auditieve gimmicks. Op zeker moment raakt een van de rovers per ongeluk de toets van een piano. Ping. Daarmee is het waagstuk geaccentueerd; meer is niet nodig. Veilig thuisgekomen, bekijken ze de buit. Bij de aanblik van de edelstenen beginnen ze spontaan te zingen.

De aanstekelijkheid van Rififi zat voor mij niet in de materiële winst maar in het vernuft waarmee de bezitters te grazen worden genomen. Het is niet goed, ik weet het, ik heb me dan ook bedwongen en ben op het rechte pad gebleven. Maar in het diepst van je geest blijven er sommige aanvechtingen die sterker zijn dan jij. Deze week overkwam het me weer toen ik las over de bankroof in Brazilië. De bende had in de buurt van de bank een huis gehuurd. Er werd een tunnel van tachtig meter gegraven, daarin zelfs elektrische verlichting aangelegd, en ten slotte werd de kluis leeggemaakt. 58 miljoen euro. `Het is iets dat je in films ziet', zei een rechercheur.

Ziedaar de vraag. Wat is er het eerst: de film of de daad? Menno ter Braak citeert in zijn Cinema militants een Berlijnse bioscoopdirecteur. `Im Kino wird Appetit gemacht, zu Hause wird gegessen', zo vatte hij de wijsheid van zijn vak samen. Veel ouders en opvoeders zijn ongeveer dezelfde mening toegedaan. In de oorlog dachten ze dat de kinderen door Dick Bos op dwaalsporen zouden worden gebracht, terwijl deze stripheld, hoewel een geoefend schutter en jiujitsu'er, de belichaming van de westerse normen en waarden was, en is. Nu heb je de kijkwijzer op de televisie. Vader en moeder kunnen meteen zien wat voor de kinderen minder tot niet geschikt is. Nog nooit zal er zoveel platheid en grofheid zo wijd verspreid zijn, als op de televisie die niet door de kijkwijzer wordt begeleid, denk ik. Maar dat is bezijden het onderwerp. Het gaat over oorzaak en gevolg buiten de grenzen van de wet.

Drie jaar geleden kwamen de Amerikaanse psychologen Craig Anderson en Brad Bushman na diepgravend onderzoek tot de conclusie dat het kijken naar geweld op de televisie bij kinderen het praktiseren van geweld bevordert. Ze waren de eersten niet. In grote trekken is dit het inzicht van de hierboven geciteerde bioscoopdirecteur. Wat zou er trouwens van de reclame overblijven als het kijken naar de reclame niet het kopen bevorderde? Maar dit onderzoek had geen praktische gevolgen. De televisiemakers bleven en blijven programma's met de gewraakte inhoud maken en het daadwerkelijk geweld neemt niet toe, noch af.

Intussen dient zich nieuwe inspiratie tot ongewenst gedrag aan: de videospelletjes of games. Bioscoop en televisie zijn gebrekkige media geworden. Je moet toekijken terwijl anderen de daden voor hun rekening nemen. Met behulp van de computer kun je het allemaal zelf doen: mensen en dieren neerschieten, aan het stuur voetgangers tegen de grond rijden, oorlog voeren met alles wat oorlog te bieden heeft, en alles virtueel. Wordt de grens tussen theorie en praktijk nog gemakkelijker te passeren? Neem zelf de proef. Ga naar een amusementshal, doe mee aan een autorace, schiet een paar gangsters neer, en ga, weer veilig op straat, na hoe u zich voelt. Tevreden, opgelucht, zucht naar meer? In ieder geval kunt u er dan over meepraten.

The Economist van de afgelopen week heeft zijn omslagverhaal aan de kwestie gewijd: Breeding Evil? The real impact of video games. Hillary Clinton heeft de gamesindustrie ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van een stille epidemie van afstomping van het gevoel (desensitisation), waardoor de kinderen `van hun onschuld worden beroofd'. Aanleiding was een spelletje waarin autodieven en de politie met elkaar slaags zijn. Maar als je je computer goed weet te bespelen, komen er ook stevige seksscènes in voor.

Redenerend volgens het principe dat ieder voordeel ook zijn nadeel hep, wijst The Economist er dan op dat er bijvoorbeeld een game is, spelend in de jaren dertig, waarmee de speler de Tweede Wereldoorlog kan voorkomen. In het algemeen, zegt het blad, zijn de games slijpstenen voor het vernuft. En zoals met iedere nieuwe vorm van vermaak, zijn er altijd weer ouwe zakken die over de verderfelijkheid klagen. Gelijk heeft het onfeilbare weekblad. Het kan vriezen en het kan dooien. Ik dacht aan een game waarin je van een viaduct af moet proberen, stenen op rijdende auto's te gooien. Of bestaat dat al, en zoja, wie waren het eerst, de makers of de daders?