Om ergens thuis te horen

De spraakmakende Britse filosoof Roger Scruton probeert zijn leven te vangen in gedachten. Maar zijn wijsgerige monoloog blijft vreemd onthecht.

De jonge Roger Scruton kreeg het behoorlijk voor zijn kiezen. Vader Scruton was volgens zijn zoon een wrokkige socialist die geen straaltje licht toeliet in zijn rancuneuze wereld. Zoon zelf kampte met twee voornamen, het ridderlijk-stoere `Roger' en het mietjes-achtige `Vernon', zoals hij aanvankelijk werd genoemd. Zonder een spoor van heimwee denkt hij terug aan de `lange dagen van wraakzuchtige stilte' in het ouderlijk huis.

Later ontpopte Scruton zich tot een origineel estheticus, maar die carrière liep vast toen zijn conservatisme, en de scherpe pen waarmee hij dat onder meer in The Salisbury Review verdedigde, hem in de jaren tachtig tot het zwarte schaap maakten van de Britse intelligentsia (hij doet in dit boek zijn beklag over het ostracisme en de `vervolging' die hem ten deel vielen).

Als begenadigd schrijver bouwde hij daarna een eigenzinnig oeuvre op, van dwarse maar vakbekwame filosofische boeken (over esthetica, seksuele begeerte en moderne filosofie) tot inktzwarte cultuurkritiek op de nieuwe barbarij die hem omringt. In die kritiek is Scruton polemisch, eenzijdig, en soms ronduit pedant. De rode draad is vertrouwd: sinds de Verlichting leven we in een `donkere tijd', waarin een kern van heroïsche conservatieven het licht van de beschaving brandend probeert te houden, zoals de monniken in de Middeleeuwen. `Sophie en ik zijn dissidenten', schrijft hij in Gentle Regrets over het leven met zijn vrouw en kind op het rustieke Britse platteland, waar hij zich wijdt aan schrijven, muziek en de vossenjacht (waar hij de apologie On Hunting over schreef).

Gentle regrets bevat geen autobiografie, maar `gedachten uit een leven', zoals Scruton in de ondertitel meldt, met die onnavolgbare combinatie van arrogantie en bestudeerde bescheidenheid die hem eigen is. Anders gezegd, het is een wijsgerige Bildungsroman, waarin Scruton de reconstructie beschrijft van zijn in de jeugdjaren gehavende persoonlijkheid. Hij werd gered, schrijft hij, door high culture (vooral muziek, `die pijn doet en troost tegelijk') en het conservatisme van Edmund Burke, maar werd pas volwassen als 54-jarige, na de geboorte van zijn zoon Sam. Burke opende zijn ogen voor de euvels van het planmatige en abstracte socialisme, en bracht hem liefde bij voor de concrete werkelijkheid, de waarde van gezag en autoriteit, beproefde tradities, en de verplichtende verbintenis tussen generaties (in plaats de samenleving te zien als een `sociaal contract').

Scrutons bekering speelt zich af tegen het decor van Parijs in 1968 en Praag vóór de val van de Muur, waar hij dissidenten bezoekt en zijn aversie tegen het socialisme bevestigd ziet. Maar Gentle Regrets bevat ook hoofdstukken over zijn liefde voor opera, een bizar gedeelte met gedichten van eigen makelij, en een hoofdstuk over zijn liefde voor drie `Sams': zijn hond, zijn paard en, sinds een aantal jaren, zijn zoon. Dat hoofdstuk bevat pijnlijke stukken over het ziektebed van zijn moeder (afgezet tegen de dood van zijn hond, om zijn punt over het verschil tussen mensen en dieren te illustreren), die hij verzorgt maar aan wie hij geen warmte kan tonen – een gebrek waar hij jaren spijt en wroeging aan overhoudt: `Mijn hart veranderde in een keiharde cyste, zo dik als die op het hart van Sam' (de hond).

Meer dan in eerdere boeken blijkt Scrutons volgende bekering die tot de religie zelf, de huidige bestemming van zijn dolende geest. Hij schrijft over de kerk en de liturgie, onsterfelijkheid in de ogen van de ander, en het verschil tussen bewustzijn en ziel. Inzet van de `religieuze manier van denken' is bij hem het redden van de menselijke wereld uit de handen van een wetenschappelijke benadering die alles reduceert tot objectief meetbare en manipuleerbare eenheden. Met wetenschap zelf is niets mis, meent Scruton, maar hij ziet `het werk van de Duivel' in filosofische en politieke stromingen die mensen vervolgens ook gaan benaderen `als objecten', zoals het socialisme en het postmodernisme, vooral het werk van Foucault, naar wie hij kenmerkend kil verwijst, zelfs naar diens dood aan aids, opgelopen in San Francisco.

Ook in eerder werk heeft Scruton een Wittgensteiniaanse opvatting verdedigd van religie, beschouwd als een zingevende praxis en niet als een stelsel van cognitieve uitspraken over de wereld. In dit boek lijkt hij bovendien, ondanks zijn analytische kritiek op hun filosofische methodes, sterk verwant aan de Europese hermeneutiek en fenomenologie, die de `levenswereld' wilde redden van de wetenschap, en zelfs aan de veelgesmade Heidegger, met wie hij ook het sentimentalisme over het plattelandsleven deelt. Die niet-theoretische houding ten opzichte van religie en de subjectieve (maar niet relativistische) `leefwereld' sluit goed aan bij Scrutons conservatisme, dat ook de nadruk legt op de waarde van gevestigde praktijken, tradities en vooroordelen. Het boek besluit niet voor niets, na een beschouwing over het REM-nummer `Losing My Religion', met de lofzang Jubilate Deo: `Zijn genade duurt eeuwig, en zijn waarheid wordt overgegeven van generatie op generatie.'

De innere Emigration van de filosoof uit de moderne wereld lijkt dus (voorlopig) voltooid, hoewel de scherpte van zijn pen – maar niet in dit boek – een licht ontvlambare ergernis en cultureel engagement verraadt die zich waarschijnlijk niet in de stilte van de kerk laten onderdrukken. Dat Scruton de verloedering van de moderne wereld goed bijhoudt, blijkt uit zijn verwijzing naar Pim Fortuyn, die volgens hem door het linkse establishment werd gedemoniseerd. Wel een vreemd verwijt van iemand die zelf postmoderne intellectuelen en anderen als agenten ziet van `de cultuur van Mefistofeles', een diabolische houding die leeft van het omlaag halen van alles wat verheven is, en uitmondt in nihilisme.

Ook Scrutons rustige toon wijst op een bewust afgerond wereldbeeld. Hij schrijft zoals altijd trefzeker, zij het bij vlagen larmoyant (vooral over zijn vervolging als conservatieve `dissident', die toch wat bleek afsteekt bij die van zijn helden in het Oostblok). Toch is er ook iets merkwaardig tegenstrijdigs aan dit boek. Want zoveel nadruk als Scruton telkens legt op de persoonlijke belevingswereld, waarin woorden als `ziel' en `onsterfelijkheid' (`het licht waarin wij staan') hun betekenis vinden, zo vreemd onpersoonlijk en zelfs tijdloos blijft de wereld die hij beschrijft. Juist de afkeer van abstractie en de liefde voor concreetheid die hij van Burke heeft geleerd, ontbreken hier. De meeste levende mensen die hij beschrijft, zijn niet meer dan figuranten, schimmige kilometerpaaltjes langs zijn pelgrimsroute naar de conservatieve waarheid. Zelfs de mooie Poolse Basia, met wie hij korte tijd een kuise verliefdheid deelt en die hem op het spoor zet naar de kerk, blijft een sjabloon van christelijke heiligheid, een incarnatie van een sacraal idee, op de rand van kitsch.

Maar ook Scruton zelf wordt zelden een mens van vlees en bloed in dit merkwaardig gestileerde boek, ondanks de verwijzingen naar de stormen die hij heeft moeten doorstaan. Zijn monoloog is onthecht, een etherische stem die kalmerende inzichten te berde brengt over de eeuwige waarde van muziek, geloof en beschaving. Even wordt hij bijna tastbaar, wanneer het zweet hem uitbreekt tijdens een lezing ergens in Finland. Vervreemd van zijn tekst en stem, hoort hij zichzelf die lezing geven; alsof hij zichzelf van buiten gadeslaat.

Zo voelt de lezer van dit boek zich op de laatste pagina's ook.

Roger Scruton: Gentle Regrets. Thoughts from a Life. Continuum, 248 blz. €29,10

    • Sjoerd de Jong