Meppen in maxi-bikini

Ook vrouwen willen de grenzen van hun fysieke vermogens opzoeken in de boksring, blijkt uit een zoektocht naar de kern van deze edele sport.

In een documentaire uit 1978 wordt zwaargewicht Muhammad Ali gevraagd naar zijn oordeel over Cathy `Cat' Davis, een beroemde vrouwelijke bokser uit die tijd. Zijn reactie luidde: ,,She? Is it a `she'? It's a she. SURE it's a she?'' En vervolgens: ,,Ik ken haar niet. Nooit van gehoord. Maar, vrouwen die dit type sport beoefenen lijken erg op mannen.'' In diezelfde periode insinueerde collega Joe Frazier dat boksende vrouwen grote problemen moeten hebben met hun seksualiteit. Beide boksers konden toen nog niet voorzien dat hun dochters, Laila Ali en Jacqui Frazier-Lyde, in 2001 tegenover elkaar in de ring zouden staan.

De laatste jaren wordt het steeds meer geaccepteerd dat vrouwen slaan en geslagen worden, althans, zolang dit tussen de touwen plaatsvindt. Toch is dit proces maar langzaam op gang gekomen. In de jaren dertig van de vorige eeuw waren boksende vrouwen vooral een bezienswaardigheid in nachtclubs, theaters en bordelen. De Engelse Barbara Buttrick, de beroemdste vrouwelijke bokser uit de jaren vijftig, begon ooit als een kermisattractie. Pas in 1993 werd in de Verenigde Staten het verbod op het amateurboksen voor vrouwen opgeheven en sinds 1995 kunnen vrouwen deelnemen aan de Golden Gloves competitie, de jaarlijkse amateurbokswedstrijden in Madison Square Garden. Maar het damesboksen staat nog steeds niet op het programma van de Olympische Spelen.

Het besef dat boksen ook voor vrouwen bedoeld kan zijn die iets meer aanhebben dan een minibikini, is inmiddels ook doorgedrongen tot de burelen van de uitgevers- en filmwereld. In de afgelopen jaren verschenen er heel wat documentaires, films en boeken over dit onderwerp. Opvallend is dat in films als Girlfight (2000) en Clint Eastwoods kaskraker Million Dollar Baby (2004) – gebaseerd op een verhaal uit Rope Burns van oud-bokstrainer F.X. Toole – een nogal voor de hand liggend beeld wordt geschetst. In beide gevallen zien we een lichtgeraakt tienermeisje uit een achterstandswijk, dat haar slechte jeugd verwerkt door het gevecht met zichzelf aan te gaan. Dit clichématige beeld haakt in op een ander bestaand vooroordeel, namelijk dat boksen maar over één ding gaat: `how to fight your way out of the ghetto'.

Dit was, en is, inderdaad vaak het geval, maar wie het recent verschenen boek Without Apology. Girls, Women, and the Desire to Fight van schrijfster Leah Hager Cohen leest, begrijpt dat de bokssport tegenwoordig niet alleen maar de gekwetste types uit de onderklasse aantrekt. Integendeel, Cohen, die lieftallig doch ietwat kwetsbaar oogt op de achterflap van haar boek, is afkomstig uit een blank middenklassegezin en totaal verslingerd aan de bokssport.

Daarmee is zij overigens niet uniek. Al een aantal jaren terug schreef journaliste Kate Sekules over haar liefde voor de bokssport. In haar boek The Boxers Heart. How I Fell in Love with the Ring (2000) geeft Sekules zelfs toe dat ze zich, door middel van de bokssport, een weg probeert te vechten `into a particular ghetto.' Daarmee doelt zij op een wereld vol bloed, zweet en tranen waar je, als vrouw, misschien wel voor het eerst echt wordt gedwongen om je fysieke grenzen af te tasten. Een wereld die aantrekkelijk is omdat die ver verwijderd is van de alledaagse beslommeringen van een gezin, de leeghoofdigheid van een opgewekt springende aerobicslerares, of de saaiheid van het kantoorleven.

Ook Cohen voelt zich aangetrokken tot die `no nonsense omgeving'. Bovendien biedt de ervaring van het boksen haar de gelegenheid voor allerlei filosofische overpeinzingen. Ze beschrijft hoe er, als ze voor het eerst de boksschool betreedt, een steek van jaloezie door haar lichaam gaat. `De jonge vrouwen die ik zag sparren waren zo duizelingwekkend vrij. Vrij in hun keuze om in de eerste plaats daar aanwezig te zijn, vrij om niet voor anderen te hoeven zorgen. Maar bovenal, vrij om op hun voeten te willen blijven staan, om kracht te willen gebruiken en hun lichamen te gebruiken en van deze ervaring te genieten.'

Het boksen maakt iets los in Cohen wat ze nader wil onderzoeken. Die zoektocht naar zichzelf en `het wezen van de bokssport', wisselt de schrijfster af met een uitgebreide beschrijving van het leven van een aantal vrouwen in en rond de Somerville Boxing Club in Boston. Haar hoofdpersoon is Raphaëlla Johnson, een bokscoach en voormalig Golden Gloves-kampioene die les geeft aan de gezusters Rodriguez: Jacinta (15), Sefina (12) en Candi (10). Alle vier voldoen deze vrouwen aan het clichébeeld van de opvliegende vrouw uit een achterstandsbuurt. De coach maakt geregeld opmerkingen als: `Ik moest erachter komen of ik een man kon slaan en hem ook werkelijk pijn kon doen.' Of: `Als je over het algemeen een gelukkig mens bent, ga je niet boksen.'

Wat ondertussen Cohens werkelijke motivatie is om zelf te gaan trainen en sparren, blijft tot aan het einde toe zeer onduidelijk. Dat is jammer want het maakt haar verhaal er niet sterker op. Wat beweegt een alleenstaande moeder van drie kinderen om de ring in te stappen? Cohen durft zichzelf niet helemaal bloot te geven. Ze hint wel naar allerlei motieven. Door te boksen, schrijft ze, is ze voor het eerst bezig haar lichaam sterk te maken en behoorlijk te voeden. Ze lijkt te doelen op een verleden met anorexia nervosa en zelfs suïcidale neigingen, maar uitleggen ho maar.

Toch leidt Cohens schimmige zoektocht soms wel degelijk tot zinvolle conclusies. Zo zegt Jacinta tegen haar dat ze het prettig vindt dat ze in de ring de vrijheid heeft om anderen pijn te doen. Die vrijheid, meent Cohen, is er een waar vrouwen niet aan gewend zijn. `De vrijheid om alle kracht die in je lichaam aanwezig is prijs te geven, zonder bang te zijn dat het te veel is. De vrijheid om alles te geven. Daarmee verschaft het boksen vrouwen iets wat van onschatbare waarde is: Our whole selves. With no apology.'

Dat is een belangrijk punt. Waarom zouden vrouwen niet, net als mannen, de behoefte voelen om hun agressie te uiten en de grenzen van hun lichamelijk kunnen te testen? Met dat inzicht gaat Cohen in ieder geval een stapje verder dan haar collega Joyce Carol Oates, die in de klassieker On Boxing niet verder kwam dan de conclusie: ,,Boxing is for men, and is about men, and is men.''

Leah Hager Cohen: Without Apology. Girls, Women and the Desire to Fight. Random House, 192 blz. €31,95