Linksaf bij de bevroren soldaat

De oorlog was in 1944 nog in volle gang toen Kaputt, Curzio Malaparte's roman over de Tweede Wereldoorlog, verscheen. Duitsland vocht nog op alle fronten. Maar bondgenoot Italië had zich al overgegeven. Daarmee was ook Malapartes werk als oorlogscorrespondent opgehouden. In zijn nu beroemde huis op het eiland Capri kon hij zich in de jaren 1943-44 wijden aan het voltooien van Kaputt, net verschenen in een nieuwe vertaling van Jan van der Haar in de reeks `Oorlogsdomein' van De Arbeiderspers.

Sinds de verschijning is Kaputt uitgegroeid tot een mythisch boek over de wreedheid van de Tweede Wereldoorlog. Deze reputatie heeft het boek vooral te danken aan de beschrijvingen van oorlogstaferelen die na lezing voor altijd in het geheugen staan gegrift. De bevroren dode Russische soldaten die de Duitsers in een besneeuwd landschap gebruiken als wegwijzers, de honderden rendieren die een Fins meer zijn ingevlucht en met hun dode stijve koppen boven het ijs uitsteken, de mand met oesters op het bureau van de Kroatische leider Ante Pavelić, die gevuld blijken met mensenogen, de gewonde eland die zich in het nachtelijke Helsinki op de wal heeft gehesen en uitgebreid wordt besproken door diplomaten die om hem heen staan – stuk voor stuk zijn het onvergetelijke, surrealistische beelden.

Vermoedelijk heeft Malaparte (1898-1957) al deze taferelen niet zelf verzonnen. In de oorlogsjaren 1939-1943 was hij als journalist op de plekken die ook in Kaputt voorkomen: aan het front in Polen, Finland, Rusland en Joegoslavië. Maar het is onmogelijk om aan te geven waar zijn eigen ervaringen overgaan in de verbeelding.

Ook Malapartes eigen leven zit vol grillen en feiten waarvan niet zeker is of ze wel feiten zijn. Nadat hij in de Eerste Wereldoolog als halve Duitser – hij had een Duitse vader en Kurt Erich Suckert als echte naam – tegen de Duitsers had gevochten, begon hij een diplomatieke carrière. Als cultureel attaché in Warschau had hij een verhouding met een prinses en duelleerde hij voor het eerst. Hij won `dankzij de schermlessen van de latere Paus Pius XI', schrijft Jan van der Haar in zijn nawoord van Kaputt. Althans, volgens eigen zeggen dan, zo voegt Van der Haar daar aan toe, want er zijn behalve Malaparte geen andere bronnen.

In 1922, het jaar dat Mussolini in Italië de macht greep, werd Suckert lid van Mussolini's fascistische partij. Drie jaar later koos hij zijn pseudoniem Malaparte, het tegendeel van Bonaparte. In 1929 werd hij voor zijn fascistische overtuigingen beloond met het hoofdredacteurschap van La Stampa. Daarnaast publiceerde Malaparte manifesten, gedichten en boeken; met zijn in het Frans geschreven Technique du coupe d'État haalde hij zijn eerste internationale succes.

Malaparte ontpopte zich als een fascist van het futuristische, turbulente soort. Voor hem was het fascisme in de eerste plaats een revolutionaire beweging. Twee jaar na zijn aantreden werd hij als hoofdredacteur van La Stampa alweer ontslagen, omdat hij de machtige Giovanni Agnelli, de eigenaar van de FIAT-fabrieken, van `antifascisme' had beschuldigd. Twee jaar later werd hij zelf wegens `antifascistische activiteiten' veroordeeld tot vijf jaar verbanning naar het eiland Lipari; Malaparte had wat al te duidelijk laten weten dat Mussolini de fascistische revolutie had verraden. Weer twee jaar later kreeg hij gratie en richtte hij Prospettive op, een cultureel tijdschrift waaraan schrijvers als James Joyce en André Breton meewerkten.

De nederlaag van het fascisme werd geen nederlaag voor de fascist Malaparte. Weliswaar meldde hij zich vergeefs als lid van de Italiaanse communistische partij en schreef hij, zonder succes, toneelstukken en maakte hij een film die flopte, maar Kaputt en later La Pelle (De Huid, 1947) bezorgden hem wereldroem.

Ondanks de afwijzing door de communistische partij bleef Malaparte tegen het communisme aanschurken. In zijn sterfjaar 1957 maakte hij een reis naar de Sovjet-Unie en China. Doodziek kwam hij terug: hij leed aan longkanker, mogelijk het late gevolg van het inademen van mosterdgas in de Eerste Wereldoorlog. Maar zelfs op zijn sterfbed zorgde hij nog voor een verrassing: de anti-kerkelijke Malaparte bekeerde zich op de laatste avond van zijn leven tot het rooms-katholicisme en kreeg het Heilig Oliesel toegediend. Althans, als we de enige bron, een van de twee Jezuïeten die hem toen bezochten, moeten geloven.

Maar al leidde de nederlaag van het fascisme niet tot het zwijgen van de ex-fascist Malaparte, de oorlog veranderde wel zijn opvattingen. Toen hij in 1939 oorlogscorrespondent werd voor de Corriere della Sera, schreef hij in Prospettive dat hij van oorlog hield. Maar met Kaputt maakte hij ondubbelzinnig duidelijk dat oorlog `iets smerigs' was.

Net als Malapartes eigen leven is Kaputt een wonderlijke versmelting van tegenstellingen en van Dichtung en Wahrheit. Een echt verhaal kent het boek niet. De taferelen die Kaputt beroemd hebben gemaakt, zijn ingebed in raamvertellingen. In veel hoofdstukken is Malaparte in steden als Helsinki en Warschau aanwezig op banketten van Duitse officieren, oude Europese adel en diplomaten. Vooral in een kapotgeschoten stad als Warschau zorgt dit voor een navrant contrast tussen de copieuze maaltijd die de aanwezigen, onder wie `de mens Himmler', krijgen opgediend in een gehavend paleis en de dood die in het nabije joodse getto rondwaart. In vele kleuren en geuren vertelt Malaparte over de spijzen en de wijnen die hij krijgt voorgeschoteld. Minutieus en met talrijke verwijzingen naar schilders, schrijvers, componisten en andere cultuurdragers – Duitsers blijven tenslotte een belangrijk cultuurvolk – geeft hij de conversaties weer die de aanwezigen voeren over de oorlog, de vernietiging van de joden, de precieze aard van de Duitsers en de rottende Europese cultuur.

Eerlijk gezegd zijn de lange beschrijvingen van de diners en feesten met de over elkaar heen buitelende verwijzingen naar kunst en cultuur niet de boeiendste delen van het boek. Maar ze dienen een doel: telkens als de verveling dreigt toe te slaan, komt Malaparte weer met een surrealistisch oorlogstafereel dat des te meer indruk maakt doordat ze worden voorafgegaan door deze langdradige verhandelingen. Uiteindelijk beloont Malaparte de geduldige lezer altijd, bijvoorbeeld met het verhaal van de Duitse officier die een jonge partizaan vraagt welke van zijn ogen van glas is. Als de jongen het raadt, laat de officier hem vrij. `,,Het linkeroog'', antwoordt de jongen prompt. ,,Hoe ben je daar achter gekomen?'' ,,Omdat het als enige iets menselijks heeft.'''

Helden zijn er niet in Malapartes oorlog. Ook de ikfiguur, met dezelfde naam als de schrijver, is geen held. Als een oude jood uit Roemenië een beroep doet op Malaparte om een pogrom te helpen voorkomen door als gezaghebbende niet-jood de Duitse generaal Von Schobert en de Roemeense kolonel Lupu om ingrijpen te vragen, doet hij dit niet. Weliswaar gaat Malaparte de volgende dag te voet naar het dorpje Copou, maar eenmaal daar aangekomen besluit hij toch niet aan te kloppen bij kolonel Lupu. Hij beseft dat de kolonel waarschijnlijk zelf betrokken is bij de aanstaande pogrom. `Hij zou me in mijn gezicht uitlachen', schrijft hij.

Iedereen in Kaputt wordt geregeerd door angst. Het meest nog de Duitsers, schrijft Malaparte: zij zijn zelfs bang voor de zwakken en weerlozen. `Ze willen ons afslachten omdat we zwak en weerloos zijn', laat Malaparte een joods personage zeggen. `Ze willen ons afslachten omdat wij bang voor hen zijn. Hi! Hi! Hi!' Deze angst voor de weerlozen verklaart volgens Malaparte de ongekende wreedheid van de Duitsers, tegen de joden. En wat gemakkelijk vergeten wordt: oorlog betekent ook ongekende wreedheden tegen dieren. Beesten, dood en levend, spelen een hoofdrol in Kaputt. Niet toevallig zijn de zes delen van het boek genoemd naar dieren: de paarden, de ratten, de honden, de vogels, de rendieren en de vliegen.

Curzio Malaparte: Kaputt. Vertaald uit het Italiaans door Jan van der Haar. De Arbeiderspers, 611 blz. €27,50