Het lijpe nichtje van Lady Macbeth

Twee is geen toeval en drie is een trend. Als je deze journalistieke vuistregel toepast op de Nederlandse literatuur, zou je kunnen spreken van de opkomst van een nieuw genre: het pervers realisme. Sinds Alex van Warmerdam in de jaren tachtig furore maakte met films en toneelstukken waarin de Hollandse binnenkamer (en buitenwereld) in een tegennatuurlijk licht werd geplaatst, zijn er verschillende schrijvers gedebuteerd die de werkelijkheid op een vergelijkbare manier vertekenen. Vaak zijn ze afkomstig uit de toneelwereld, waar ze zich hebben gespecialiseerd in talige monologen van tragikomische figuren. Zo schetst de huisschrijver van Oostpool, Peer Wittenbols, in zijn recente verhalendebuut Eerste bloei een vreemd universum van doodzieke sloebers, masochistische pubers en hopeloze ouders. En regisseur Aat Ceelen, die in 1993 debuteerde met de verhalenbundel Hotel Kramoesie, voert in zijn laatste roman een geboren verliezer ten tonele die zich na een ruzie met zijn vrouw in een snackbar overgeeft aan licht-absurde dagdromen en conversaties.

Aan mijn vrouw, dat vorige week terechtkwam op de lijst van 23 boeken die meedingen naar de AKO-literatuurprijs, doet in droefgeestigheid niet onder voor de andere romans (twee) en verhalenbundels (drie) van Ceelen. Timide man scheldt per ongeluk zijn vrouw uit en krijgt klappen; hij trekt zich terug in een cafetaria om daar een sonnettenkrans te schrijven waarin hij de echtgenote zijn liefde verklaart. Maar veel verder dan de titel (`Aan mijn vrouw') en een berekening van het aantal dichtregels dat hij moet schrijven komt hij niet. Het is een uitgangspunt dat doet denken aan Het kanaal (1999), waarin de hoofdpersoon werkt aan een heldendicht over een bezoek aan de supermarkt dat na een paar maanden nog maar negen van de beoogde driehonderd zangen beslaat.

In de snackbar praat Broer – zelfs de namen van de personages zijn Warmerdamiaans – onverstoorbaar tegen de eigenaar aan, ook al krijgt hij niet veel meer woorden terug dan `So' en `Wizziknie' en `Intessant'. Hele monologen ontsnappen er aan de haag van zijn tanden, de een nog bloemrijker dan de andere. Over zijn geboorte (`met de streng om mijn hals en de koek op mijn kop') en zijn droeve jeugd als halfblind en halfdoof brekebeentje. Over een angstig bezoek dat hij bracht aan de grafzerkenwinkel die vóór de snackbar in hetzelfde gebouw zat. Over een geest die koekjes bleef bestellen in de bakkerswinkel waar hij klant was. Over zijn onwerkelijke bezoek aan de `Aanbeljuwelier' (een soort heler) om een trouwring voor zijn vrouw te kopen. Broers mooiste uitweiding is een fantasie over een blinde man die wordt uitgekafferd door zijn vrouw, die in haar taal en fanatisme doet denken aan het lijpe nichtje van Lady Macbeth: `Ik wil een leven, ik wil een werkster, ik wil zeggen: doe dit, doe dat, en dat het dan ook gebeurt [...] klim dan toch, klootzak, klim, zodat je in de krant komt, met een foto en winstcijfers, versta je, of moet ik het in je oor gieten [...] je bent een wijf, geen vent, een wijf! Ontwijf, darm, ontwijf! [...] minder dan een zuigeling ben je, met je laffe weke mond wil je van mijn borsten drinken, maar ik schift m'n melk tot gal voor je, ik ruk m'n tepel uit je bek en sla je kop eraf.'

Stilistisch laat Aan mijn vrouw weinig te wensen over, hoewel het zelfs binnen een pervers-realistisch verhaal vreemd is dat de marginale, grofgebekte Broer weet wat een sonnettenkrans is en woorden gebruikt als `fons et origo', `halo' en `animaal'. Ceelen heeft een vaardige hand in het weergeven van krachtig idioom (`laat je kop niet naar het graf hangen') en zijn monologen zijn origineel en grappig. Maar desondanks komt het verhaal niet echt tot leven. Als Broer onverrichterzake weer naar huis is teruggekeerd en onder het bed van zijn vrouw gaat liggen, is hij een papieren personage gebleven en is er dus eigenlijk niets gebeurd.

Dat laatste is kritiek die Ceelen vaker gehoord heeft, in besprekingen van bijna al zijn eerdere werk. Kennelijk kan (en wil) hij niet anders; het lijkt zelfs alsof hij zijn criticasters bij voorbaat de wapens uit handen heeft willen slaan. Tegen het einde van Aan mijn vrouw lezen we wat Broer van zijn eigen verhaal vindt: `Het had kop noch kloten, zin zat er ook niet in, en van drama was geen sprake. Maar misschien was er ook geen drama, want wat was er eigenlijk aan de hand? Broer had last van zenuwzwakte, etalagebenen, duizelingen. Wat dwanggedachten over de dood. En hij had zijn vrouw voor schijtlijk uitgescholden. Meer niet. Godgod.'

Zijn personages en zijn lezers mogen snakken naar een verhaal, voor Ceelen is dat bijzaak. Hem is de taal genoeg.

Aat Ceelen: Aan mijn vrouw. L.J. Veen, 110 blz. €13,50