De clown ontmaskerd

In zijn nieuwe, sterke roman richt Salman Rusdie zijn pijlen op fundamentalisten, met name die in Kashmir. Zijn de beweegredenen van de terroristen in hun midden wel zo zuiver en godsvruchtig, of geven duistere, persoonlijke motieven juist de doorslag?

Waar blijven de romans over islamitische terroristen, hun motieven en de milieu's waarin ze opgroeien en radicaliseren?

Die dringende vraag stelde gastcolumnist Graham Bowly gisteren nog in de International Herald Tribune. Literatuur kan ons anderen immers `van binnen' leren begrijpen, en na de huiveringwekkende aanslagen in Londen is elk beetje inzicht over de daders en hun motieven welkom. Bowly liet daarom een aantal van de talloze `multiculturele' romans de revue passeren die de laatste jaren zijn verschenen, zoals White Teeth van Zadie Smith en Brick Lane van Monica Ali. Maar hij moest concluderen dat die ons, met hun optimistische boodschap, maar weinig leren over de grimmige wereld van na 7 juli.

Dus waar blijven de Balzacs en Dostojevski's van de mondiale jihad? Nu kan Bowly in elk geval Salman Rushdie erbij pakken. Eergisteren beleefde Nederland namelijk de primeur van Rushdie's roman Shalimar de clown, die voor een belangrijk deel is gewijd aan precies de vraag die Bowly beantwoord wil zien: wat drijft de terrorist?

Rushdie is daarmee precies op tijd, maar hij is, ondanks Bowly's vergeefse zoektocht in de Tribune, toch niet de eerste. Het islamitisch terrorisme dook de laatste jaren in een aantal romans op, waarvan de bekendste – en de beste – ongetwijfeld Platform is, Michel Houellebecqs maar half-sarcastische lofzang op de Aziatische seksindustrie, waar vervreemde westerse mannen even op adem kunnen komen. Aan het slot van dat boek dat kort voor de aanslagen van 11 september verscheen, blazen islamitische terroristen het lustoord van de hoofdpersoon aan barrels. Houellebecq kreeg het bovendien aan de stok met Franse moslims wegens belediging van de islam, die hij in een interview `de meest stompzinnige religie' noemde; de zaak werd geschikt. Ook over `11/9' zijn enkele romans, en vele beeldverhalen, verschenen. Jonathan Safran Foer heeft New York en het terrorisme verwerkt in zijn succesvolle Extremely Loud and Incredibly Close, Michael Cunningham doet hetzelfde in Stralende dagen. In Turkije verdiepte Orhan Pamuk zich in zijn prachtige roman Sneeuw in de menselijke achtergronden van islamitische radicalisering in een Turkse provinciestad.

Voor Salman Rushdie waren er natuurlijk extra redenen om het onderwerp bij de kop te pakken: allereerst het doodvonnis dat in 1989 over hem werd uitgesproken door de Iraanse ayatolah Khomeiny na de publicatie van De duivelsverzen. Rushdie maakte zo al hardhandig kennis met religieus fanatisme, vijftien jaar voor de moord op Theo van Gogh in Nederland. Maar Rushdie heeft ook een andere impuls om zich over een urgent onderwerp te buigen. Zijn literaire reputatie liep het afgelopen decennium deuken op. Eerst was er het overvolle De grond onder haar voeten uit 1999, een te luidruchtig carnaval van mythes en magisch realisme, met een burleske confetti-ontknoping. Toen kwam Woede, het geschenk voor de Nederlandse Boekenweek van 2001, dat hij zo actueel mogelijk had bedoeld, en in grote haast had geschreven. Dat was goed te merken aan het rommelige resultaat, dat met de grond gelijk werd gemaakt in Engeland, waar men zich toch al opwond over Rushdies emigratie naar Amerika.

Bij Woede had Rushdie naar eigen zeggen ook het gevoel dat de werkelijkheid hem op de hielen zat. Het boek, waarin een moord een gruwelijke rode draad is maar waarin terrorisme geen rol speelt, gaat over een overstuurde wereld die op het punt staat te barsten van de opgekropte woede. Rushdie zei er later over: ,,Ik had het idee: deze zeepbel staat op het punt van uiteenspatten. Elf september had ik natuurlijk niet voorzien, maar alles wees erop dat er een einde zou komen aan het gevoel van onbegrensde mogelijkheden dat toen in New York heerste.''

Met Shalimar de clown, dat gisteren al meteen is verschenen op de longlist voor de Bookerprize, een maand voor de officiële Engelse publicatie, staat Rushdie aan de andere kant van die scheidslijn. De zeepbel is gebarsten en de opgekropte woede is naar buiten gekomen. Hoewel Rushdie al aan de roman begon vóór de aanslagen op New York, en zijn verhaal terug laat gaan tot in de jaren dertig van de vorige eeuw, is dit heel duidelijk het boek waarin Rushdie de wereld na `9/11' probeert te begrijpen, en de islamitische fundamentalisten een gezicht wil geven.

Hij doet dat anders, en verwarrender, dan zijn voorgangers. Rushdie zit zijn terroristen dichter op de huid dan Houellebecq of Cunningham, bij wie ze onbekende vreemdelingen blijven, even angstaanjagend als onbegrijpelijk. Bij Rushdie komen ze aan het woord. Helemaal aan het slot bijvoorbeeld houdt een advocaat een pleidooi voor zijn cliënt, de Shalimar de clown uit de titel, die terechtstaat voor de moord op de Amerikaanse ambassadeur in india. Shalimar zou tot die daad zijn gekomen doordat hij is gehersenspoeld in islamitisch-terroristische trainingskampen. De verdediging luidt dat `zijn vrije wil was ondermijnd door verbale, mechanische en chemische mind control-technieken die zijn persoonlijkheid voor een groot deel hebben afgebroken en hem in een projectiel hebben veranderd, gericht op één menselijk hart, toevallig het hart van de eminentste ambassadeur van het contra-terrorisme'. Maar hoe heeft het zover kunnen komen? Daar blijkt iets heel anders achter te zitten dan een religieuze overtuiging: jaloezie en persoonlijke wraakzucht.

Rushdie schetst de achtergrond van Shalimars terrorisme aan de hand van persoonlijke geschiedenissen: die van de joodse ambassadeur Max Ophuls, diens dochter India (een naam waar het meisje een grote hekel aan heeft omdat die iets `exotisch suggereert, iets koloniaals en de toeëigening van een werkelijkheid die zij niet behoort te bezitten') en zijn dansende liefde Boonyi. Dan is er Shalimar zelf, een acteur en clown die in een toneelgroep Indiase mythen opvoert. Maar al gauw blijkt het toneel hem fataal te worden: Shalimar verliest zijn dansende liefde Boonyi aan nota bene de Amerikaanse ambassadeur. Niet hij, maar de imperialistische Amerikaan wordt de vader van Boonyis kind. De personages staan natuurlijk voor veel meer: de ambassadeur en zijn dochter leven in het `beloofde land' Los Angeles, de clown en zijn geliefde in het `paradijs' Kashmir. Rushdie mengt zo fictie en geschiedenis en thema's als liefde, machtspolitiek, kunst, geloof, en fundamentalisme.

Wat zijn voorkeur voor onverwachte parallellen betreft, en voor breed uitwaaierende thematiek, is Shalimar de clown een echt Rushdie-boek. Ook de uitwerking is vertrouwd: het boek barst weer van de literaire verwijzingen, mythologie en postmoderne spelletjes die inzicht moeten geven in de drijfveren van zowel de Amerikaanse ambassadeur als de terrorist. Dat gebeurt vaak in een uitbundige dichtheid van verwijzingen, een methode die Rushdie in zijn vorige boeken steeds meer opbrak. Maar hier lukt het beter, omdat Rushdie zich enigszins heeft leren beheersen. Wat Shalimar de clown stilistisch met name boven het niveau van die overvolle voorgangers uittilt, is de afwezigheid van magisch-realistische krullen. Weliswaar zijn ook hier de beschreven dromen weer een grote kwelling voor de lezer, en is er zelfs sprake van helderziendheid en wandelingen door de lucht, maar Rushdie blijft zich toch tot op zekere hoogte beheersen.

Shalimar de clown is als literaire verwerking van de moderne geschiedenis van Kashmir zelfs zeer geslaagd. Wie een halve eeuw geschiedenis van een land of gebied in fictie wil neerzetten, moet het op deze wijze doen. Rushdie beschrijft de ontwikkelingen van dat gebied aan de hand van de lotgevallen van Shalimar enBoonyi. Voor deze regio geldt dat de verbeelding al snel moet wijken voor de politiek. De strijd tussen India en Pakistan, en daarmee die tussen hindoes en moslims gaat steeds meer domineren. Waar eerst traditionele waarden heersten en het verzet tegen India (dat het gebied annexeerde) nog prominent aanwezig was, neemt later de terreur van fanatieke moslims de overhand. Vrouwen worden gedwongen burka's te dragen, andersdenkenden worden gemarteld of vermoord. Tradities worden de nek omgedraaid, zoals ook de liefde tussen Shalimar en Boonyi door de buitenwereld om zeep wordt geholpen.

Boonyi is prachtig, haar dans verleidelijk. Dat vindt ook Max Ophuls die als ambassadeur het gebied bezoekt. Hij wordt op slag verliefd op haar en wil haar meenemen naar New Delhi, zodat ze daar kan dienen als aanvulling op zijn onvruchtbare vrouw. Boonyi heeft daar wel oren naar en verlaat haar geboortegrond. Het oude epos Ramayana wordt gemoderniseerd: Boonyi wordt niet gekidnapt, zoals Sita dat wel werd, maar ze kiest zelf voor de rijkdom en weelde van het ambassadeursbestaan.

Maar het mag allemaal niet lang duren. Max verliest zijn interesse en Boonyi verwaarloost zichzelf, lijdt aan vraatzucht en raakt verslaafd aan drugs. Wanneer ze zijn dochter baart, eist de echtgenote van de ambassadeur het kind op. Kinderloos keert Boonyi terug naar Kashmir, maar eenmaal weer op haar geboortegrond blijkt ze doodverklaard en kan ze niet meer terug naar haar oude leven. In isolement ondergaat ze haar straf, terwijl Shalimar zeker weet dat hij haar op een dag zal vermoorden, net zoals hij wil afrekenen met de ambassadeur en diens bastaardkind.

Zo verteld lijkt Shalimar de clown op een ouderwetse liefdesroman, maar Rushdie wil uiteraard meer. Shalimar voert zijn wraak namelijk niet direct uit, maar moet ruim 24 jaar wachten. In de tussentijd, om te oefenen voor zijn missie, sluit hij zich aan bij de `vrijheidsstrijders' van Kashmir. Hij komt terecht in een kamp voor islamitische jihadisten, waar hij zich verdiept in de koran, vechttechnieken leert en de belofte aflegt zijn leven te geven voor het geloof. `Als de wereld in verwarring is, stuurt God geen godsdienst van liefde. In dergelijke tijden stuurt hij een krijgsreligie, verlangt hij van ons dat we strijdliederen zingen en de ongelovigen verpletteren.' De clown is fundamentalist geworden – of blijft hij een clown? Shalimar voert immers nog steeds een toneelstukje op: hij zint op persoonlijke wraak, maar weet zich voor zijn omgeving overtuigend voor te doen als godsdienststrijder.

Daarmee is Shalimar eigenlijk de tragische personifiëring van Kashmir. De toneeluitvoeringen van Indiase mythen worden vervangen voor opvattingen waarin elke vorm van verbeelding uitgebannen wordt, sterker nog: een kopje kleiner wordt gemaakt. Wanneer Shalimar zijn religieuze eed zweert – en dat terwijl hij beseft dat hij vooral zijn eigen wraak wil blijven najagen – wordt hij aangesproken door Talib de Afghaan, een fundamentalist in hart en nieren: `Je was acteur. God spuugt op acteurs. God spuugt op dansen en zingen. Misschien acteer je nu. Misschien ben je een verrader en een spion. Je hebt geluk dat ik niet de leiding heb over dit kamp. Ik zou onmiddellijk opdracht geven alle amusementsmakers te executeren. God spuugt op amusement. Ik zou ook opdracht geven tandartsen, professoren, sportlieden en hoeren te executeren. God spuugt op intellectualisme en losbandigheid en spelen.' Shalimar zegt niks terug, bang om ontmaskerd te worden door deze ware fanaticus.

Tegenover deze gebeurtenissen in Kashmir staat een westerse verhaallijn die zich grotendeels afspeelt in Los Angeles, waar Max en zijn dochter leven. Daarnaast gaat Rushdie terug naar de jeugd van Max als joodse jongen in Straatsburg en verzetsheld in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de Tweede Wereldoorlog vestigt hij zich in Amerika. Daar volgt een van de vele andere kwesties die Rushdie in zijn roman aan de orde wil stellen: de machtspolitiek van Washington. Max Ophuls moet een diplomatieke uitweg zien te vinden in de verhoudingen tussen India en de VS.

Een van de eerste daden van Max als ambassadeur is een bezoek aan Kashmir, en daarmee komen twee verhaallijnen bij elkaar: Max ontmoet Boonyi, oost en west vermengen zich. Ja, dat gebeurt seksueel, maar er is natuurlijk ook weer een parallel: de overeenkomsten tussen Kashmir en de Elzas. Wanneer Max voor het eerst in Kashmir komt, doet de crisis hem aan zijn eigen geboortegrond denken: de voortdurende strijd om de Frans-Duitse grens, dwars door de levens van de bevolking heen. `Konden twee plekken verschillender zijn, vroeg hij zich af; konden twee plekken meer op elkaar lijken?'

Rushdie gebruikt die parallel ook om verwarring te stichten. Hij doet dat door Max bijvoorbeeld tijdens zijn werk voor het Franse verzet te laten ervaren dat `terrorisme best spannend is'. Maar hij weet ook dat hij er ongeschikt voor is, hij is meer een man van ideeën. Bij de tegenstelling tussen een `westerse jood' en `ideeënman' enerzijds, en de doelgerichte fundamentalistische moordenaar anderzijds, kun je al enigszins je wenkbrauwen fronsen, maar Rushdie gaat verder. Hij legt, zoals vele publicisten na 11 september hebben gedaan, een verband tussen de huidige islamitische fundamentalisten en de nihilistische ideologie van het nazisme. Hij ziet een verband tussen het gebruik dat extremisten van de koran maken, en hun overtuiging dat alleen de `ware gelovigen' zullen worden gered, en de manier waarop de nazi's zich beriepen op Germaanse mythologie en `Arische' superioriteit.

Helaas is dit deel van de roman niet het sterkste. Het gedeelte over Max en zijn ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zelfs veel weg van een matig uitgewerkt jongensboek. Je kunt grote vraagtekens plaatsen bij Rushdies poging om hier literatuur te verweven met intellectuele essayistiek, zoals in zijn vergelijking van islam-extremisme met het nazisme. Het blijft een vergelijking die vooral ideologisch interessant is, maar die weinig rekening houdt met de concrete historische werkelijkheid.

Die ideologische gelaagdheid is er ook bij het portretteren van Shalimar. Deze clown wordt vooral neergezet als een hypocriet. Rushdie wil met Shalimar, maar ook met de andere mannen uit het terroristische kamp de fundamentalisten een gezicht geven: ze worden getoond in hun zwakte en opportunisme, maar ook in hun belachelijkheid. Het islamtisch extremisme wordt al meteen aan het begin geridiculiseerd. Zo verschijnt Max op televisie met een betoog over de islamitische moordenaars in Kashmir. Eenmaal thuis verschijnt een van zijn scharreltjes, een Indiase vrouw die zich opeens ontpopt tot `verontwaardigde moslima'. Ze krijgt de trekken van een slapstick-figuur, die even snel weer van het toneel verdwijnt als dat ze is verschenen. Het islamitisch-fundamentalisme wordt nog nadrukkelijker geridiculiseerd wanneer de advocaat Shalimar wil verdedigen door hem als terrorist neer te zetten, terwijl de getuigenis van zijn bastaard-dochter duidelijk maakt dat het hem om een persoonlijke wraakactie te doen was.

Want dat is waar het verhaal uiteindelijk om draait: de wraakactie van Shalimar, die hij pas 24 jaar nadat zijn vrouw is geschaakt, ten uitvoer brengt. Zijn moord op zowel de ambassadeur als op Boonyi en de poging tot moord op de bastaard-dochter, is een afrekening met een persoonlijke krenking uit het verleden en lijkt daarom op het eerste gezicht niets van doen te hebben met terroristen die een `westerse' toekomst verre van zich proberen te houden. Maar er is wel een symbolische overeenkomst: Shalimar de Indiër is vernederd door een Amerikaan die zijn vrouw verleidde en `zijn' kind verwekte. Is dat niet een symbool voor de vernedering van de islamitische wereld, die voorbij is gestreefd door het heidense Amerika, en daardoor ook nog wordt verleid? Vernedering zou dan de bron zijn waaruit de radicalen worden geboren.

God doet er dan niet eens zoveel meer toe. Allah heeft maar weinig te maken met de wraak van Shalimar, al wordt die wel gepleegd in zijn naam. `De roman is de kunstvorm die de god-vormige gaten in ons bestaan waarschijnlijk het best kan vullen', schreef Rushdie in Is er dan niets meer heilig, een essay naar aanleiding van de fatwa die over hem was uitgesproken. De verheffing van de kunst staat zo tegenover de vernedering waarmee de extremist zich voedt. In de god-vormige gaten in deze roman doemen de contouren op van de vernederde terrorist, een wraakzuchtige clown die in staat is tot moord.

Salman Rushdie: Shalimar de clown. Uit het Engels vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Contact, 432 blz. €24,90