Zorgen prins over buiken, baarden en Piper Cubs

Prins Bernhard had veelvuldig bemoeienis met Defensie-zaken. Vooral van ministers die hij persoonlijk kende, kreeg hij veel ruimte. ,,Niemand keek vreemd op als de prins weer eens langskwam.''

,,Koninklijke Hoogheid, In de eerste plaats wil ik u mede namens mijn vrouw van harte gelukwensen met de tweevoudige feesten, het huwelijk van de prinses en uw verjaardag.''

Bladerend door het privé-archief van oud-bewindsman Hans de Koster (VVD) valt op hoe nauw bevriend de minister van Defensie (1971-1973) was met prins Bernhard. Het archief is in 1993 door de weduwe van De Koster aan het Nationaal Archief in Den Haag in bewaring gegeven. Sinds het overlijden van Bernhard is de correspondentie openbaar.

Uit de stukken blijkt ook hoe hun persoonlijke relatie verweven was met staatszaken. Prins en bewindsman wisselden zakelijke en politieke informatie uit, en Bernhard liet zich actief in met het beleid van De Koster.

Nadat De Koster in 1971 minister van Defensie was geworden, bleek hoe ruim Bernhard zijn taak als inspecteur-generaal van de strijdkrachten (adviseur van de minister) opvatte. Bernhard bemoeide zich actief met het aanschaffingsbeleid en doorkruiste procedures. Dat hij dat deed was bekend uit de Lockheed-affaire, maar het privé-archief geeft nog een ander voorbeeld: de vervanging van de 156 Piper Cubs waarmee de luchtmacht verkennings- en lesvluchten uitvoerde. In maart 1971 was een begin gemaakt met de procedure die moest leiden tot vervanging van de toestellen.

Het archief bevat hierover een brief van Bernhard aan De Koster, gedateerd 5 maart 1973. ,,Alweer een brief, maar deze maar privé'', luidt het. In de brief bracht Bernhard allereerst de defensiewensen van Indonesië over. Hij meldde dat het land mijnenvegers wilde hebben van Nederland, ,,liefst cadeau natuurlijk''.

Aan het einde van de brief staat: ,,P.S. Als bijlage een Italiaans aanbod ter vervanging van onze Piper Cubs'', die onder meer voor verkenningsdoeleinden werden ingezet. De bijlage ontbreekt. Uit aanvullende informatie van het ministerie van Defensie blijkt dat de Italiaanse fabrikant Agusta een van de drie kandidaten voor de order was.

De Koster zou de aanschaf van de toestellen niet meemaken. In 1973 stapte het kabinet-Biesheuvel, waarvan hij deel uit maakte, op. Een jaar later kochten zijn opvolgers, minister Vredeling (PvdA) en staatssecretaris Stemerdink (PvdA), voor 59,3 miljoen gulden 30 helikopters van de Duitse concurrent van Agusta. Stemerdink zegt desgevraagd voorstander te zijn geweest van de Duitse toestellen omdat ze ingezet moesten worden boven de Duitse laagvlakte.

Het Italiaanse bedrijf Agusta zou overigens in 1988 in het nieuws komen met smeergeldbetalingen aan Belgische politici bij de verkoop van helikopters voor het Belgische leger. Stemerdink: ,,Italianen deden dat schaamteloos. Ik herinner mij begin jaren tachtig een etentje als delegatie van de Kamercommissie voor Defensie bij Agusta, in Rome. Open en bloot kreeg ik een gratis verblijf aan het Como-meer aangeboden, in de villa van de directeur. `Zegt u maar wanneer u wilt komen.' Zo ging dat.''

Niets in het archief wijst erop dat De Koster het vreemd vond dat de inspecteur-generaal optrad namens een Italiaans bedrijf. Nadat hij zijn functie als minister had neergelegd, stuurde De Koster Bernhard een bedankbriefje: ,,Gedurende deze 22 maanden kon ik altijd rekenen op uw goede advies en uw eerlijke opbouwende kritiek, dikwijls verpakt in vragende vorm. Beide waren voor mij van zeer grote waarde.''

In de jaren daarna, toen De Koster Tweede-Kamerlid was, bleef de vriendschap hecht en kon de prins op zijn steun rekenen. Dat bleek toen in 1975 vanuit Amerika berichten kwamen over smeergeldpraktijken van eerst de firma Northrop en later Lockheed. Hoge Europese functionarissen waren in de jaren zestig en zeventig omgekocht. In eerste instantie viel de naam van een vriend van Bernhard, later de naam van de prins zelf.

Het archief bevat een brief van De Koster aan Bernhard, gedateerd 26 juni 1975, waaruit blijkt dat De Koster de vertrouwelijkheid van de besloten Vaste Kamercommissie voor Defensie doorbrak om de prins te informeren over de ontwikkelingen, en een onderzoek naar de prins wist te voorkomen.

De brief: ,,In de afgelopen weken heb ik Cokkie [medewerkster Bernhard, red.] ingelicht over de gang van zaken in Den Haag. Daar wil ik het vervolg thans aan toevoegen. De Vaste Commissie voor Defensie vergaderde [...] op verzoek van De Gaay Fortman [jr., red.] en Waltmans [PPR-Kamerleden, red.]. Hier stelden zij voor de minister ter verantwoording te roepen over de rol van de inspecteur-generaal in het algemeen en ten aanzien van de vliegtuigaankopen in het bizonder; subsidiair het instellen van een parlementaire enquêtecommissie. [...] Het stemmen tellen leek mij te wijzen in de richting van het aannemen van de PPR-voorstellen. Ik ben toen gestart met een filibuster [lang aan het woord blijven om een vroege stemming te voorkomen, red.] om te kijken welke leden het eerst verplichtingen elders zouden hebben. Toen twee leden van de PvdA weggingen werd er gestemd met het resultaat dat met één stem meerderheid de PPR-voorstellen werden verworpen. De besprekingen van deze commissie zijn geheim. U zult daar wel rekening mee houden.''

Bernhard reageerde enkele dagen later per telegram: ,,Heel hartelijk dank. Goede wensen. Mooi cadeau en interessante brief. Bernhard.''

Tot een parlementair onderzoek naar de rol van Bernhard bij vliegtuigaankopen kwam het niet. Wel zette het kabinet-Den Uyl een commissie van wijze mannen aan het werk, de Commissie van Drie. Die concludeerde in 1976 dat Bernhard zich ,,toegankelijk'' getoond had voor ,,onoorbare verlangens en aanbiedingen''. Ook had hij initiatieven genomen die ,,volstrekt onaanvaardbaar waren en die hem zelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed – en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen – in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.'' Bernhard moest zijn functie als inspecteur-generaal opgeven.

Na de Commissie van Drie onderzocht een subcommissie van de Vaste Kamercommissie voor Defensie de aankoop van het F-5-vliegtuig van Northrop in 1966. Daarbij was ook de naam van Bernhard genoemd. De subcommissie concludeerde dat de F-5 gekozen was buiten medeweten van een belangrijk deel van de regering. Het was geen onderzoek naar Bernhard, maar zijn rol kwam wel ter sprake, zo blijkt uit de stukken van de subcommissie. Het Nationaal Archief bewaart ook dit archief. De stukken zijn onlangs openbaar gemaakt.

Uit de gesprekken met 23 betrokkenen bleek de subcommissie dat de prins actief was geweest rond de aanschaf van de F-5. A. Duynstee, van 1967 tot 1971 voor de KVP staatssecretaris van de luchtmacht, verklaarde: ,,De verwevenheid als inspecteur-generaal met de krijgsmachtonderdelen, die was vrij groot.'' Volgens Duynstee werd er bewust gebruikgemaakt van de diensten van Bernhard om door middel van zijn connecties ,,bepaalde kwesties soepeler te laten verlopen.'' Regels voor de informatievoorziening van de inspecteur-generaal waren er niet, volgens de staatssecretaris. ,,Het geheel speelde zich meestal ook af in een zeer ongedwongen sfeer.''

Bernhard bleek – zonder medeweten van de politieke leiding – op verzoek van de luchtmachtstaf bij de chef van de Amerikaanse luchtmacht geïnformeerd te hebben naar de kwaliteiten van de F-5 van Northrop, nog vóór de aanschafprocedure begonnen was. De Nederlandse luchtmachtstaf informeerde ook eerst Bernhard en later pas de politieke leiding over problemen in de onderhandelingen met Northrop, en de luchtmachtstaf schakelde de prins in om contact te leggen met de directeur van Northrop, een vriend van Bernhard.

Op zijn beurt was Northrop al in het vroegste stadium tot in detail geïnformeerd over de operationele inzichten van de luchtmachtstaf. Op basis daarvan kwam de fabriek met voorstellen. Hoe Northrop aan die wetenschap kwam heeft de subcommissie niet kunnen vaststellen.

,,Formeel mocht prins Bernhard zich niet met aankopen bemoeien. Hij was meer een toezichthoudend ombudsman'', zegt oud-staatssecretaris Stemerdink. ,,Toch hebben achtereenvolgende regeringen dankbaar gebruikgemaakt van zijn wereldwijde contacten. Hem is royaal de ruimte geboden, vooral door ministers van Defensie die hij persoonlijk goed kende, zoals Den Toom [VVD, oud-beroepsmilitair, red.] en De Koster. Niemand keek in die tijd vreemd op als de prins weer eens langskwam voor informatie. Je wist alleen nooit hoe hij het zou gebruiken. Toen Vredeling en ik aantraden, dacht de prins op oude voet verder te kunnen gaan. Maar dat viel tegen.''

Niet alleen wapenaankopen hadden de aandacht van de prins. Hij maakte zich ook grote zorgen over de troepen, blijkt uit een brief (`persoonlijk en vertrouwelijk') op 21 september 1971 aan onder meer De Koster, na prinsjesdag. ,,Nog vers onder de indruk van de Kameropening voel ik mij gedwongen U gezamenlijk even te schrijven om U de indrukken weer te geven die de Koningin, onze kinderen en ik [...] van de militaire afzetting hebben gekregen. Laat ik beginnen met wat goed was: alles op het Binnenhof – de Garde en de mariniers.

,,Onderweg: de marine behoorlijk tot goed. De luchtmacht al bepaald slechter op enkele uitzonderingen na – houding, verschil in doffe en gepoetste helmen, enfin. Maar dan de mensen van de landmacht. Dit kan men alleen nog een bende noemen. Ik heb nooit – en wij allen – gedacht dat een dergelijke vertoning mogelijk was – krom, schouders naar voren, buiken naar voren, geweren c.q. uzi's allen ongelijk, helmen in alle houdingen (en verschil van kleur) voeten dikwijls 50 CM uit elkaar. En dit afschuwelijke schouwspel dan nog met slecht onderhouden baarden en haren maakte het geheel tot een aanfluiting. [...]

,,De Koningin en ik hebben de chef van het Militaire Huis onze verontwaardiging uitgesproken over dit alles. Gaarne had ik vernomen hoe zoiets in de toekomst voorkomen kan worden door bijv. voorafgaande inspecties, drillen, afkeuring van een onderdeel daarvoor. Of in het geheel padvinders i.p.v. militairen [...]. In ieder geval, zo kan het niet meer en animeert het ook niet de burgerij om geld eraan te besteden. Ik hoop van harte dat U voor deze zware taak een oplossing zult vinden. Bernhard.''

Rijke meelfabrikant, verzetsman en minister

H.J. (Hans) de Koster, een rijke meelfabrikant die in de Tweede Wereldoorlog de spionagegroep Peggy leidde, was namens de VVD minister van Defensie (1971-1973) in het kabinet-Biesheuvel. Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (1967-1971) was hij in het kabinet-De Jong. Van 1973 tot 1977 was hij Tweede-Kamerlid en woordvoerder buitenlandse zaken van de VVD-fractie. Van 1977 tot 1980 lid van de Eerste Kamer. Van 1978 tot 1981 was hij voorzitter van de raadgevende vergadering Raad van Europa. Van 1980 tot 1985 was hij lid van de Raad van State in buitengewone dienst.

De Koster (Leiden, 1914) was bevriend met de koninklijke familie, met prins Bernhard in het bijzonder. De Koster overleed op 24 november 1992 te Wassenaar.

Zijn weduwe, G. Burgersdijk, gaf zijn persoonlijk archief (3,80 meter lang) in bewaring bij het Nationaal Archief in Den Haag. Sinds de dood van Bernhard in december vorig jaar is de correspondentie tussen De Koster en de prins openbaar (toegangsnummer 2.21.291; inventarisnummer 137).