Regisseur Moreau is ambitieus

In de Jeanne Moreau-zomer zijn er ook films te zien die de actrice zelf regisseerde. Haar keuzes overtuigen niet altijd.

Jeanne Moreau speelde in meer dan honderd films en ze regisseerde er zelf drie, waarvan er twee te zien zijn in het programma dat het Filmmuseum aan haar wijdt. Een daarvan is een documentaire uit 1984 over actrice Lillian Gish, die in de jaren tien en twintig dé ster van regisseur D.W. Griffith. Een interessante, sterke vrouw, de Amerikaanse evenknie van Moreau, zou je kunnen zeggen. Het is dus een goed onderwerp, waar Moreau een zeer traditionele documentaire van maakte: lange ondervragingen van Gish door Moreau, die af en toe in overduidelijk later gemaakte reactieshots in beeld komt. De muziek is zeer jaren tachtig, evenals de jurken van beide dames.

Interessanter om wat uitgebreider te bekijken is Lumière (1976), haar debuut als regisseur, eentje die ze ook schreef en waarin ze zelf te zien is. De film ligt duidelijk in het verlengde van rollen waarmee ze beroemd werd en het is verleidelijk aspecten uit het scenario als autobiografisch te interpreteren. Moreau speelt Sarah, een actrice die samen met drie andere actrices even uitblaast in haar landhuis. Ze keuvelen wat, trekken een baantje en eten gezamenlijk aan een lange houten tafel. Dan volgt een terugblik op een turbulente week uit hun leven, waarin privé-problemen onlosmakelijk verbonden zijn met hun professionele carrières.

Lumière is een film over vrouwen die laveren tussen de mannen in hun leven en hun werk, tussen een stabiele relatie en de verlokkingen die bij hun egostrelende beroep horen. Zo'n ensemblefilm is voor een debuterend regisseur een ambitieus begin. Want hoe film je vier vrouwen in een kader, hoe monteer je tussen elk van hun verhalen? Moreau kiest ervoor om de vrouwen in de shots waarin ze elkaar zien, ook echt samen in het kader te filmen. Dit vereist een zekere afstand van de camera, anders passen de acteurs niet allemaal in beeld. Om toch nog enige dynamiek aan te brengen – ze monteert immers niet tussen de personages – beweegt de camera om hen heen in cirkelbewegingen.

Die cirkelbewegingen worden een veelvuldig terugkerend stijlmiddel. Zo staat de camera frontaal op Bruno Ganz (als Duitse dichter) en Moreau als ze elkaar in het park ontmoeten. Dan rijdt het apparaat een halve cirkel om hen heen, om achter ze te eindigen – de camera kijkt dan met hen het park in. Veel van Moreaus camerabewegingen zijn wat kunstmatig en trekken de aandacht. Alsof ze per se wílde afwijken van de klassieke stijl van decoupage waarbij gesprekken in shot-tegenshot worden gefilmd.

Ook zet Moreau de camera soms op een wat rare plek. Net even in een gekke hoek ten opzichte van de personages bijvoorbeeld, waardoor we ze bijna in silhouet zien. Moreau is in Lumière wel degelijk bezig om te proberen ook een artistieke creatie te maken, het anders te doen, haar stempel als regisseur te drukken. Dat haar keuzes niet altijd overtuigen, doet daar weinig aan af.

Zoals je zou verwachten bij een regisserende actrice is de spelregie uitstekend. Dan geeft het niet dat Moreau met haar camera soms juist weggaat bij haar acteurs in plaats van op ze in te rijden om de emoties beter te tonen. Juist die discretie jegens de emoties van de karakters werkt sterk.

De slotscène is meesterlijk. De dag nadat de jonge Grégoire zelfmoord heeft gepleegd, gaat Sarah in haar eerste Amerikaanse film spelen. Camera en licht worden klaargemaakt en ze begint te spelen. Dan barst ze in huilen uit. Moreau de scenarist en regisseur geeft geen uitsluitsel over de tranen van Moreau de actrice. Hoort het bij de rol? Of huilt ze om Grégoire? Een gedurfd ambigue einde voor een eerste film.

`Lumière' (9 en 14) en `Lillian Gish' (11 en 21 augustus) zijn te zien in het Amsterdamse Filmmuseum. Een serie over de films waarin Jeanne Moreau heeft gespeeld is na te lezen via www.nrc.nl.