Olierijk en oliedom

De prijs van ruwe olie flirt deze week met de grens van 65 dollar per vat. De verklaring is in ieder economieboek te vinden: het aanbod blijft achter bij de uitbundig toenemende vraag. De door de producenten opgepompte hoeveelheid olie zit vrijwel aan het plafond. Ongestoorde aanvoer van de beschikbare olie is bovendien niet verzekerd, door politieke onrust in belangrijke productielanden (Irak, Nigeria, Venezuela) en de kwetsbaarheid van leidingen, laadstations en tankers voor terroristische aanslagen. De raffinaderijen zijn volbezet. Doordat onvoldoende tijd wordt uitgetrokken voor noodzakelijk onderhoud, neemt de kans op ongelukken en onderbrekingen van de productie toe. Handelaren op de oliemarkt calculeren zulke risico's in. Inmiddels blijft de vraag naar benzine en andere oliederivaten onverminderd groeien, ondanks de forse prijsstijging – anderhalf jaar geleden kostte ruwe olie nog maar 25 dollar per vat. Onder deze omstandigheden is het goed voorstelbaar dat de olieprijs de komende maanden doorschiet tot boven de 100 dollar per vat.

Beleidsmakers bij de overheid en toplieden van grote ondernemingen werken vaak met scenario's om de toekomst te verkennen. Afgelopen week berichtte de Financial Times over een bijeenkomst in de Verenigde Staten waar ontwikkelingen op de oliemarkten werden gesimuleerd. Deelnemers hadden eerder hun sporen verdiend als hooggeplaatste ambtenaren van de Amerikaanse overheid. Zij kregen gefingeerde berichten over onderbrekingen van de olieaanvoer, terwijl economen en olieboeren-in-ruste de vermoedelijke reacties van de markten toelichtten. In één verontrustend scenario komt de olieprijs midden volgend jaar uit op 160 dollar per vat. Eerst is sprake van politieke onrust in Nigeria, in januari 2006 explodeert een fabriek van vloeibaar gas in Saoedi-Arabië, tegelijk met een terroristische aanval op olietanks in Valdez, een belangrijke haven in Alaska. De Amerikaanse autoriteiten besluiten daarop uit voorzorg de Trans-Alaska-pijplijn af te sluiten. In juni 2006 worden vervolgens na een serie aanslagen alle buitenlandse deskundigen uit Saoedi-Arabië geëvacueerd, waardoor dit land zijn olieproductie niet verder kan opvoeren.

Wanneer dit of een vergelijkbaar scenario wordt bewaarheid, heeft dat zeer grote gevolgen voor de wereldeconomie. De extreem hoge energieprijs leidt tot een mondiale recessie en massale werkloosheid. We hebben dit eerder meegemaakt, na de eerste (1973-1974) en de tweede (1979-1980) oliecrisis. Dit doemscenario bevat voor ons land slechts één lichtpuntje. Doordat de prijs van het Nederlandse aardgas – met enige vertraging – is gekoppeld aan die van ruwe olie, kan de minister van Financiën zich rijk rekenen. Bij een olieprijs van 160 dollar zwelt de aardgaswinst voor de staat aan met 15 tot 20 miljard euro (per jaar). Tegelijk zal de schatkistbewaarder worden gebombardeerd met eisen en smeekbeden om die extra middelen meteen in te zetten om de ingrijpende gevolgen van de derde oliecrisis op te vangen. Een deel van de meevaller is nodig om tegenvallers bij de belastingopbrengsten te compenseren. Wanneer – als gevolg van de diepe recessie – consumenten minder besteden en bedrijven minder afzetten, brengen de omzetbelasting, loonbelasting en winstbelasting minder op. Een ander deel van de aardgasmeevaller verdampt, omdat meer geld nodig is voor werkloosheids- en bijstandsuitkeringen. De Tweede Kamer zal verder aandringen op lastenverlichting, om het koopkrachtverlies van gezinnen (door de dure energie) te beperken.

Automobilisten en hun organisaties zullen moord en brand schreeuwen. Want de benzineprijs aan de pomp gaat bij het scenario van de Amerikaanse denktank van de huidige 1,40 euro in de richting van 2 euro per liter. Woordvoerders van autorijdend Nederland pleiten nu al voor accijnsverlaging. Ten onrechte. Niemand lijkt te beseffen dat brandstof in verhouding juist goedkoper is dan een halve eeuw geleden het geval was. Huib van Essen van het milieuonderzoeksbureau CE rekende onlangs in de Volkskrant voor dat een gemiddelde werknemer in het begin van de jaren zestig elf minuten moest werken voor een liter benzine, en tegenwoordig nog geen acht minuten. Bovendien rijden auto's door allerlei technische verbeteringen met een liter benzine meer kilometers. Uit economisch oogpunt valt de prijsstijging van benzine en andere olieproducten slechts toe te juichen. Oliemaatschappijen moeten bij hun speurtocht naar nieuwe olievelden steeds meer investeren in onherbergzame streken en de diepzee. Eindverbruikers moeten voor die hoge kosten opdraaien. Dure benzine en diesel sporen verbruikers bovendien aan tot grotere zuinigheid. Dat is goed voor het milieu.

Inmiddels doen vaderlandse politici er goed aan serieus na te denken over de gewenste bestemming van komende meevallers bij de gaswinsten voor de staat. Hoogstwaarschijnlijk gaan die in de miljarden lopen. Politici moeten weerstand bieden aan de verleiding de extra middelen vooral in te zetten voor lastenverlichting. Vermindering van de staatsschuld moet prioriteit hebben. Anders zit onze vergrijsde bevolking over een kwart eeuw letterlijk en figuurlijk in de kou. De aanpak in het olie- en gasrijke Noorwegen verdient navolging. Dit land belegt een aanzienlijk deel van de energieopbrengsten in een fonds dat uitsluitend geld steekt in buitenlandse aandelen en obligaties. In dit fonds zit inmiddels meer dan 150 miljard euro om de kosten van de vergrijzing in Noorwegen op te vangen. Oliedom, dat wij dit na de aardgasvondst bij Slochteren ook niet hebben gedaan.