Dikdoenerij en mannetjesmakerij passen hbo niet

In zijn bijdrage `Laat hbo's meeconcurreren om onderzoekgeld' (Opiniepagina, 8 augustus) houdt Harrie Verbon een pleidooi voor het laten participeren van hbo-instellingen in het beschikbare onderzoeksbudget. Volgens Verbon is er geen reden tot verzet en zal de toenemende concurrentie de kwaliteit verhogen.

Zijn betoog bevat een aantal elementen waar nogal wat op is af te dingen. Hij motiveert bijvoorbeeld zijn uitspraken door te wijzen op de grote alfa-faculteiten die (volgens Verbon) te veel middelmatige onderzoekers hebben. Hij vergelijkt de 1500 academici aan de Nederlandse economiefaculteiten met de 1500 academici van de 30 top economie-faculteiten in de Verenigde Staten. Hij concludeert dat het onredelijk is om te verwachten dat al deze Nederlandse onderzoekers zich kunnen meten met de top in de VS. Dat lijkt me een houdbare conclusie, zo niet een open deur. Echter, het totale aantal economie-academici in de VS is veel groter dan 1500, dat is gemakkelijk het tien- of honderdvoudige.

Het onderzoeksbudget in de VS is navenant groter. De verhouding tussen top en middelmaat kon daar wel eens net zo groot zijn als bij ons. De vergelijking `top-VS' versus `totaal in Nederland' gaat dus mank en ondersteunt Verbons betoog niet. Verder vind ik het tamelijk inconsistent om enerzijds te wijzen op het te grote aantal gemiddelde onderzoekers in Nederland en vervolgens nog meer onderzoekers via de hbo-route toe te laten. Waarom zou deze grotere groep meer talent bevatten? De posities aan de universiteiten zijn volgens Verbon niet bezet met alleen maar `top'. Het is moeilijk te geloven, dat we veel toptalent gemist hebben.

Het is veel waarschijnlijker, dat Verbons groep van gemiddelde/ondermaatse wetenschappers nog groter wordt. Ik zie niet in wat dat voor niveauverhoging teweegbrengt. Integendeel, de nog grotere groep vist in dat ene kleine vijvertje. Het is een illusie te denken dat dat geen schade aan de beteren toebrengt. Aankomend talent zal hiervoor de prijs betalen. Zij hebben nog geen gevestigde reputatie en hebben het aanmerkelijk moeilijker bij het gehonoreerd krijgen van onderzoeksvoorstellen.

Indien de groep wetenschappers sterk wordt uitgebreid, loopt het slaagpercentage van individuele onderzoeksvoorstellen automatisch terug. Daardoor gaat er steeds meer tijd zitten in het schrijven en beoordelen van voorstellen die het niet halen. Het gevolg is vooral een grotere bureaucratie en niet zomaar een toename van niveau. Wetenschappers zullen meer moeten mikken op `main stream' onderzoek, het doorlopen in de geëigende paden. Immers, daar is de kans op honorering meestal het grootst.

Het gevolg is dat de vernieuwing in onderzoeksland onder druk komt te staan en uiteindelijk de kwaliteit over de grote linie eerder afneemt dan verbetert. Vergelijk bovenstaande met de (top)sport in Nederland, bijvoorbeeld het voetbal. Volgens Verbons redenering zouden er meer betaald-voetbal-organisaties moeten komen. Het tegenovergestelde lijkt eerder waar.

Verbon meent te signaleren dat in Nederland kwaliteit niet beloond wordt. Wij hebben inderdaad niet het keiharde Amerikaanse systeem. Maar dat heeft niet enkel positieve kanten. Samenwerking in de VS is bijvoorbeeld moeilijker: onderzoekers zijn bang dat iemand met hun ideeën op de loop gaat. Verder moet niet worden vergeten, dat onderzoek en onderwijs aan de universiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het doen van onderzoek is niet een activiteit op zich maar is nodig om studenten een moderne opleiding te geven en academisch te vormen.

Ten slotte onderschat het hbo (althans de leiding) wat er komt kijken bij het doen van goed wetenschappelijk onderzoek. Dat is geen activiteit voor de vrijdagmiddag. Het is niet voor niets dat de onderwijslast voor veel universitaire wetenschappers aanmerkelijk lichter is dan voor de hbo-collega's. Wetenschappelijk onderzoek vergt infrastructuur (niet bepaald goedkoop), een academisch klimaat alsmede kritische massa. In de bèta-wetenschappen wordt vrijwel al het wetenschappelijk werk gedaan door jonge promovendi. Wil het hbo die ook gaan opleiden? Waar haalt ze kandidaten van voldoende kwaliteit vandaan?

De toppers gaan gegarandeerd naar de betere groepen aan de universiteiten, waar het overigens helemaal niet makkelijk is om dat talent te vinden. In de bèta-wetenschappen is meer dan de helft van de promovendi afkomstig uit het buitenland. Ik zie niet in waarom de toppers voor de hbo-instellingen zouden kiezen: waar is dan de beoogde kwaliteitsverbetering?

Mijn conclusie is dat het toelaten van het hbo niet bijdraagt aan kwaliteitsverhoging van het onderzoek, integendeel, `vele varkens maken de spoeling dun'. Het hbo heeft een prima missie, waarom aan dikdoenerij en mannetjesmakerij doen?

Robert F. Mudde is Antoni van Leeuwenhoek Hoogleraar - Meerfasenstroming, Faculteit voor Technische Natuurwetenschappen, Technische Universiteit Delft

www.nrc.nl/opinie : Artikel Verbon.